Henk Kamp: voormalig minister
Functies: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Minister van Defensie, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Minister van Economische Zaken
Periode: 2002-2022
Henk Kamp was maar liefst zes keer minister in zes kabinetten over een periode van twaalf jaar. Hij was verantwoordelijk voor uiteenlopende onderwerpen: van militaire missies tot gasboringen in Groningen. Een principiële bestuurder: “Ik heb in 25 jaar nooit gespind of gelekt.” Hij durfde ook impopulaire beslissingen te nemen, bijvoorbeeld bij het afbouwen van de gaswinning in Groningen. “Je bent er voor het algemeen belang.” Op zo'n invloedrijke positie is je verantwoordelijkheid groot, benadrukt hij: “Daar moet je je best voor doen.”
Je kunt het interview met Henk Kamp op drie manieren volgen:
- Als artikel;
- Als video;
- Als podcast.
Hij werd geïnterviewd op 17 december 2025 door Caspar van den Berg en Erik-Jan van Dorp, zie de lijst van betrokkenen
Publicatiedatum 17 april 2026
Lees hier het artikel
Lees het artikel over het interview.
Bekijk het interview

In De top kijkt om,
spreken wij met oud-ministers en
oud-topambtenaren om een
kijkje in het hoofd te krijgen
van wie Nederland allemaal besturen.
En vandaag, in het derde
seizoen, spreken we met
iemand die zes keer minister
is geweest, in
zes kabinetten en op vele
verschillende
departementen over een lange
tijdspanne. En er komen heel
veel onderwerpen, die zijn
daar ook de revue gepasseerd, als het
gaat over militaire missies in het
buitenland, gas in Groningen.
En eigenlijk
de meeste grote onderwerpen,
die komen ook
in de loopbaan aan bod,
van Henk Kamp. We zijn hier
ook in zijn huis op de grens
van Gelderland
en Overijssel. Een keer echt het
land in met De top kijkt om.
Maar we zijn, waarom we het zo
mooi vinden om het
gesprek met Henk Kamp te
voeren is,
weinig mensen, die hebben
zoveel ervaring en
zo'n gevarieerde ervaring als hij.
En vandaag spreken we dus met
hem over zijn drijfveren en de
geleerde lessen. Mijn naam is
Caspar van den
Berg. Ik zit naast Erik-Jan
van Dorp. En
we willen eigenlijk
het gesprek beginnen met de
volgende vraag. Toen
je minister werd, dat was in 2002,
de eerste keer, had je al een lange
politieke carrière
achter de rug als raadslid, als
wethouder, als Statenlid in
Gelderland. Maar ook als
Kamerlid. En je werd minister
in dat jaar
2002. Eigenlijk het jaar dat de
Nederlandse politiek voorgoed
veranderde. De opkomst van de LPF,
de moord op Pim Fortuyn,
en daarna in die hele
onrustige tijd
het eerste kabinet Balkenende
waar jij als minister van VROM
deel van uitmaakte.
Kun je ons meenemen naar die
tijd, naar dat moment en hoe dat
voor jou was? Ja, ik had toen al een
lange ervaring, 24 jaar, en
daar heb ik echt gemak
van gehad. Ik was lokaal en
provinciaal en
regionaal actief en toen kwam
ik in de Tweede Kamer.
En toen op mijn 50ste kwam ik
op dat ministerie van
VROM terecht. En ik was, ik
had bestuurlijk
zelfvertrouwen, dus ik wist
een beetje hoe de hazen
liepen. En
ik vond het heel leuk om naar
dat ministerie te gaan en om minister
te zijn. En ik heb daar ook
een, ruim een jaar
gezeten. Een half jaar lang
heb ik het
ministerieschap van VROM
gedeeld met
Defensie, dus ik was
gelijktijdig op beide
ministeries
minister. 's Morgens zat ik op
VROM en 's middags op
Defensie. Het was een
enerverende tijd
en ik heb het, echt een heel
leuk begin van mijn
ministerschap, wat
uiteindelijk twaalf jaar heeft geduurd.
En hoe kijkt u terug op
precies die periode die juist in de
Nederlandse politieke
geschiedenis toch heel
vormend is geweest? Het
land stond eigenlijk op zijn
kop op dat moment. Hoe was dat
om daar als één van
de politiek belangrijke
spelers deel van uit te maken? Ik vond
eigenlijk al die jaren
enerverend en er was altijd
wel, er waren altijd
dingen aan de hand.
Het is natuurlijk zo dat in
die tijd van waar we over
praten, rond 2002, ik heb
meegemaakt dat, van een
afstand natuurlijk, dat Fortuyn
werd doodgeschoten. Ik zat in
de trein naar Rotterdam toe
voor een bijeenkomst en toen
kreeg ik een bericht dat
dat was gebeurd. Dat is iets wat je
altijd bijblijft. Maar dat het
een bijzondere
tijd was, heb ik niet als
zodanig ervaren.
Ik heb eigenlijk al die jaren
als een bijzondere tijd
ervaren, als een enerverende
tijd. En er gebeurden altijd
een heleboel
dingen die, waar je bij
betrokken was en die erg
interessant
waren. Dus het begin was niet
interessant dan de andere jaren.
Caspar begon net van, 2002,
het jaar dat
de politiek voorgoed
veranderde.
Maar misschien als je daar op
dat, in dat moment
achteraf terugkijken is altijd
makkelijk - maar in dat moment was het
misschien minder makkelijk te
herkennen van: o, dit is een, zo'n
game changer, zoals ze dat
noemen. Je wordt, vanaf de
eerste dag dat je op een
ministerie komt, wordt je heel
erg door dat ministerie
omringd en op sporen
gezet. En je oriënteert je.
Maar je moet ook
meteen allerlei dingen doen,
dus je bent heel erg gefocust
op je eigen rol, op je eigen
ministerie. Daarnaast
natuurlijk de
ministerraad. En vanaf het
begin heb ik me wel aangewend om
alle stukken die daar relevant
waren voor de ministerraad, om
die ook te lezen en mee te
praten over
de dingen die de andere
collega's behandelden.
Maar dat was op vrijdag, en op
donderdagavond in het
bewindspersonenoverleg, en
donderdagnacht
als ik de stukken las. Maar voor
de rest van de week was ik
toch echt helemaal gefocust op dat
ministerie. En dat kwam er zeker bij
toen ik ook Defensie erbij
kreeg, waar ook van alles en nog wat
speelde. Toen was ik helemaal
op twee ministeries gefocust.
Wat daaromheen ging en de, mijn
rol in het grotere geheel, die was
niet overheersend. Je noemde
al even de
eerste dag dat je aankwam op het
ministerie van VROM, als
nieuwe minister. We hebben in,
op een eerder moment ook al
een keer een
gesprek opgenomen met Marjanne Sint.
Zij was toen
secretaris-generaal op… Hele
goede. Het
ministerie van VROM. En zij heeft in
haar verhaal toen ook, toen we het over
interactie tussen minister en
topambtenaren
hadden, ook die eerste dag, uw eerste,
jouw eerste werkdag op VROM
gememoreerd. Want voor haar
was, had dat iets
bijzonders, omdat ze het
belangrijk vond
om daar te markeren: in dit
ministerie
waarin we gewend zijn om
bewindspersonen
niet van de VVD, maar meer van de
Partij van de Arbeid te
hebben… Jan Pronk.
Jan Pronk, voorganger,
zijn we gewend om PvdA
ministers te dienen.
De politieke wind draait nu, is nu
gedraaid. De
verkiezingsuitslag, die is
binnen, en dit is het kabinet
wat daaruit
komt. En wij hebben nu een
minister van
VVD , en wij gaan als heel
departement
professioneel even hard
voor hem lopen. Zij markeerde
dat moment ten
overstaande van alle
ambtenaren om u, om jou welkom
te heten. En dat memoreerde
zij in dat
gesprek. Hoe kijk jij daarop
terug? Marjanne Sint was erg
goed. Dat was
een politiek dier. Voorzitter
geweest van de Partij van de
Arbeid, ook in moeilijke
tijden. Ik weet dat het op een
gegeven moment
erg spannend was, en toen was
zij op vakantie in Italië en
vond men dat ze er had moeten
zijn. Ze was
echt helemaal in dat politieke wereldje
opgegroeid. Toen kwam ze op
dat ministerie, daar was ze
secretaris-generaal, maar
vanaf het begin deed ze dat
perfect. Ze maakte de, ze probeerde
totaal niet om vanuit haar
politieke achtergrond mij
een kant op te duwen. Ze wilde
gewoon dat ik mijn werk goed deed
en dat dat ministerie goed
voor mij werkte. En
dat heb ik vanaf het begin
heel plezierig
gevonden. Hangt ook, komt ook
een beetje door
mijn omgang met ambtenaren. Ik
respecteer ambtenaren zeer.
Ik ben in staat om besluiten
te nemen, om duidelijk te
zijn, maar ik doe dat altijd
op zodanige manier dat ze
begrijpen wat ik aan het doen
ben. En dat ze de gelegenheid
hebben gekregen om hun
deskundigheid in te brengen en
dat ik het ook…
Ik doe het stapsgewijs en
uiteindelijk wordt dat door hen zeer
gewaardeerd, dat ze, dat ik
hun adviezen
als vaststaand aanneem. Ik probeer
niet in adviezen te rommelen.
Zij hebben de deskundigheid, zij
geven mij advies. Ik praat er
met hen over. Ik zeg
dan op een gegeven moment wat
mijn voorgenomen besluit
is, hoe ik denk dat we het
moeten gaan doen. Krijgen ze
weer de gelegenheid
te reageren en vervolgens neem
ik een besluit. En dan
zijn ze ook gemotiveerd om het
verder te brengen, om het uit
te voeren, omdat ze
vertrouwen hebben in de wijze
waarop het tot stand is
gekomen. Als ik het zo hoor, dan
benadruk je vooral de
transparantie
daarin. Zij doen een stap, jij
reflecteert erop,
zij kunnen daar nog een keer
op reflecteren en dan valt een
besluit of dan neem je een
standpunt in.
En dan is ook voor iedereen
duidelijk hoe je
daar uiteindelijk bent
gekomen. En dat maakt
het makkelijk om
het vervolgens verder te
brengen. En het begin
is natuurlijk het
regeerakkoord. Daar zijn ze op
ingesteld. Wat staat er voor
ons ministerie, als
ambtenaar in het
regeerakkoord? En hoe moeten
we dat gaan
vormgeven? Dan als minister
heb je ook je eigen
dingen waarvan je zegt van:
dat moet volgens mij
gebeuren en daar moeten we mee
aan de gang. Dat is dan het
begin. Maar vervolgens al die
besluiten die je
neemt, zij moeten zich daar ook
prettig bij voelen, omdat ze
het uiteindelijk moeten
gaan opschrijven. Ze moeten
het gaan uitvoeren, ze
moeten het gaan verkopen bij
andere ministeries. En het is
heel belangrijk
om dat op een constructieve,
positieve manier met
hen te doen. Waar kwam u
eigenlijk mee binnen
in dat ministerie? U was al acht jaar
Kamerlid geweest, dus de
verhouding met de
regering, die kende u al. Maar als
ik me goed herinner was u
vooral woordvoerder op andere
thema's dan VROM.
Immigratie, integratie.
Immigratie. Precies. Met wat
voor… Er ligt een
regeerakkoord,
en je zegt, je hebt misschien
ook eigen ideeën
of eigen indruk of
prioriteiten. Zo hoor ik het.
Waar kwam u mee binnen, wat…?
Weet u dat
nog? Ik kwam binnen met mijn
eigen ervaring, en
de bedoeling om mij echt op
VROM te gaan richten.
Kijk, op vrijdag de
ministerraad, en dan was
alles aan de orde. En ik vind
dat je dan ook actief in, je met alle
dossiers moet bemoeien. Maar
op dat ministerie zat ik niet mijn
hobby's uit te dragen. Ik was
bezig met VROM,
met volkshuisvesting,
ruimtelijke ordening, milieu. Hoewel
Pieter van Geel daar
staatssecretaris voor was, dus
dat was ik
in beperkte mate. Maar mijn eigen
ding, daar was ik mee bezig.
En dat was
mijn binnenkomst en dat
verwachtten ze ook van mij.
Je vertelde net iets
over die interactie met
ambtenaren, hoe zij
adviseren en hoe je daar als
bewindspersoon er dan
mee omgaat. Was dat
hetzelfde op al die zes
departementen waar
je werkte? Defensie was iets
anders, omdat er een hele
sterke militaire
lijn doorheen loopt. Je hebt daar echt
ambtenaren, maar je hebt ook
militairen. En met beide heb je
te maken. En dat dekt elkaar niet
100%. Dat zijn echt twee
verschillende lijnen. Maar verder
is het zo dat, de ambtenaren bij alle
ministeries zijn zeer
deskundig, zeer goedwillend,
echt op jou gericht en doen
hun best om jou je
werk goed te laten doen.
Vinden het ook fijn als je dat doet,
omdat zij dan, dat maakt het
werken voor hen ook
prettiger. En ik vond dat op alle
vier ministeries waar ik
gewerkt heb, vond ik dat
hetzelfde.
Grappig. U
lijkt best positief over
ambtenaren. Heel. Zeer kundig.
Was dat ook uw verwachting
vooraf al? Was dat beeld
altijd al gevormd, of
leer je dat? Ik heb, ik had
natuurlijk met ambtenaren te maken
gehad bij de gemeente, bij de
provincie. Ik was dagelijks
bestuurder van de regio
Achterhoek. Daar had ik ook met
ambtenaren te maken. Daarna
als Kamerlid had ik,
las ik ook heel veel stukken
waarvan ik wist dat niet een
bewindspersoon daar zat te
schrijven, maar dat ze, dat
zijn ambtenaren. En
je weet, ik wist
toen al, op basis van mijn
ervaring, hoe belangrijk
die ambtelijke laag was in het
bestuur van ons land. Ik vind
het zelf de belangrijkste.
De kwaliteit van onze
ambtenaren, de
goedwillendheid van de
ambtenaren, de gerichtheid
op degenen die
politieke verantwoordelijkheid
dragen. Ik heb dat als
één van de mooiste dingen van
mijn werkervaring, om met
hen samen te werken. En heb je
daar ook een
voorbeeld van, wat je
misschien te binnen schiet over van:
daar kwam het er echt op aan
en daar heb ik, daar
was ik onder de indruk van wat
ambtenaren deden, of hoe we
daar samen tot
iets moois konden komen? Ik
heb nogal wat zwakke punten
nu, Caspar. Eén ervan
is dat ik niet zo goed ben in
voorbeelden. Maar laat ik
zeggen dat het
belangrijkste bij, in de
omgang met ambtenaren is dat
je snapt wat hun
positie is. Je merkt bij
onervaren bestuurders op alle
niveaus en bij
gemeenten, maar ook bij, op
ministeries en
bewindspersonen, je merkt dat men
de neiging heeft om als er een
advies komt wat niet in lijn
is met wat de minister of de
staatssecretaris of de
wethouder of de gedeputeerde
wil, dat ze dan dat advies
een beetje veranderd willen
hebben. Zodat ze uiteindelijk
conform het advies kunnen
besluiten. En dat
is echt een, vind ik, een
dodelijke fout. Dat moet
je echt zo niet doen. Waarom
willen bestuurders dat?
Er zijn nogal wat bestuurders
die dat willen, omdat ze het
voor zichzelf
gemakkelijker maken zo. 'Ik
heb dit besloten. Dat
was ook het advies om dat te
doen.' Dus dan
maak je het voor jezelf wat
gemakkelijker. Dus het is een
risicomijdende strategie. Als
je afwijkt van een ambtelijk
advies, heb je
op zichzelf een probleem wat
je anders niet
hebt. Maar ik denk dat het
toch zo moet. Je
moet de ambtenaren laten in hun
eigen deskundig advies.
Vervolgens moet
je zelf je
verantwoordelijkheid nemen. Maar, dat
snapt een ambtenaar ook.
Alleen, je
zegt al hoe jij er tegenaan
kijkt. Als je het ermee eens
bent, is er geen
probleem. Ben je het er niet
mee eens, dan leg je
uit waarom niet en hoe je
vindt dat het, hoe het dan wel
moet. Kunnen ze
daar weer op reageren. En als
je dan vervolgens je
besluit neemt, dan snappen ze
het. En dan vervolgens gaan
ze daar ook mee aan de slag.
Zij moeten daar vervolgens ook weer
brieven schrijven naar de
Kamer of naar
gemeenteraad of naar
Provinciale Staten,
waarin jouw standpunt - wat
misschien afwijkt van hun
standpunt - waarin jouw
standpunt wordt verwoord. En
dat doen ze dan ook, heb ik
gemerkt, bij al die
ministeries heel
consciëntieus. Dat is het
mooie van het vak. Ik voel me
echt bevoorrecht dat ik dat
heb mogen doen en met zulke
goede mensen heb mogen werken.
En tegenwoordig zijn die
beslisnota's ook openbaar, dus
wordt het advies, en de
keuzes, zijn allebei
inzichtelijk voor wie dat wil
controleren. Bij de, op
landelijk niveau wel. Op de
lokale en op provinciaal niveau
is dat anders. En daar werken vreselijk
veel bestuurders en vreselijk
veel ambtenaren. En ik
stoor mij er echt aan als dat
verkeerd gaat in
dat proces. Want op dit vlak is
best het een en ander
veranderd gedurende de
periode dat je in Den Haag
actief was. Er zijn veel meer
mogelijkheden nu voor
journalisten, bijvoorbeeld,
om aanvragen te doen,
om openbaarheid van
besluitvorming,
enzovoorts. Maakt dat dat de
druk op bewindspersonen
hoger is, om
bijvoorbeeld toch inderdaad
het liefst een standpunt in
te nemen wat overeenkomstig een
ambtelijk advies is? Heb je meer uit
te leggen als je daarvan
afwijkt? Ik heb dat
zo zelf nooit ervaren. Ik weet
ook niet of dat nu het
geval is. Als je je werk goed
doet, denk ik dat dat geen probleem
is. Kijk, wat je moet zijn als
bestuurder, je moet
deskundig zijn, je moet
integer zijn en je
moet hard werken. Maar dat wil
niet zeggen dat je alles
100% goed moet doen. Je moet
je best doen, maar er
kan ook weleens een keer wat
misgaan. En dat mag dan ook
blijken. Als die andere dingen
die ik net
noemde, als dat voor elkaar
is, dan mag dat. En,
dus ik denk, die openbaarheid
heb ik nooit als een
probleem gezien. Ik heb ook in
de relatie met de journalisten me altijd
gerealiseerd dat je,
uiteindelijk ben je
verantwoording schuldig aan de
mensen in het land. Het is een
democratie. Jij zit
op een plek waar je heel veel
te vertellen
hebt en heel veel dingen, heel
veel dingen kunt besluiten, maar
je doet het voor de mensen in
het land en daar ben je
verantwoording aan
schuldig. Maar je kunt die
mensen niet allemaal
bereiken. Je kunt, af en toe
heb je clubjes waar
je dan mee praat, maar die
tegenwoordig 18
miljoen mensen, onmogelijk om
daar, om die
te bereiken. Dat doe je
via de media. De media, die bevragen
jou en die zenden het uit, die
schrijven het op.
En op die manier leg je, vind
ik, verantwoording af aan de
mensen in het
land. Ik heb altijd de lijn
gehad dat als een
journalist wat vraagt, dat ik
dan antwoord
geef en dat we het zo volledig mogelijk
proberen te doen. En als je
die houding
hebt, en je ziet de rol van de
ambtenaren en de rol van
de journalisten en je eigen
rol, en je bent daar
consequent en zuiver in, dan
heb je geen problemen.
Je noemde net drie elementen
die voor een minister
belangrijk zijn. Je moet
deskundig zijn, integer zijn
en hard werken. Zeker. Nu
is deskundigheid geen
selectiecriterium per se,
volgens mij. Nee. Maar het
helpt misschien wel. Kunt u
misschien iets
zeggen over: waarom zijn die
drie dingen nu belangrijk? En
misschien ook: wat is dan
uiteindelijk de essentie van minister
zijn? Waar gaat die rol eigenlijk
over? Die rol gaat, van de
minister gaat erover dat je
in een land waar heel veel
mensen op een kleine
oppervlakte bij elkaar wonen,
op een hoog welvaartsniveau,
waar heel veel verschillende
belangen zijn, waar heel veel
dingen geregeld moeten worden…
Regels kunnen we
misschien nog even over
praten, want dat schijnt een
vies woord te zijn
tegenwoordig. Terwijl je er
ook wel iets anders naar kunt
kijken. Maar in een hele
ingewikkelde omgeving waar
dingen voor de korte termijn
besloten moeten worden en dingen
voor de lange termijn in de
goede richting moeten, geduwd moeten
worden, waar je ook
impopulaire dingen moet doen,
dat je daar op dat
uiteindelijk hoogste
niveau… Met even voorbijgaand
aan de Tweede Kamer, want dat
is natuurlijk in onze
democratie het echte hoogste
niveau. Maar voor het
dagelijkse werk ben je, als
minister en in de ministerraad
zit je op het hoogste niveau.
Daar moet je een
goede rol spelen. En dat is
een hele grote
verantwoordelijkheid en grote
eer, maar ook
heel erg fijn om dat te mogen doen en
om daar je best voor te mogen
doen. En waarom zijn
die drie dingen,
deskundigheid, integriteit en
hard werken nu…?
Zonder deskundigheid kun je het
wel schudden, want je
wordt voortdurend bevraagd in
de Tweede Kamer, in
de Eerste Kamer, door de
journalisten. En als je dan niet
een geloofwaardig verhaal over het
voetlicht kunt brengen, dan is
het gauw met je afgelopen.
Integriteit, dat is denk ik
een basisbehoefte voor
iedereen die in het openbaar
bestuur werkt.
Zodra je bezig bent om jezelf of je
relaties of je eigen groep
waar je deel
van uitmaakt, om die te
bevoordelen,
dan is het mis. Jij bent er
voor het algemeen belang.
Jij moet moeilijke
beslissingen vaak
nemen. Je moet belangen
afwegen en
ergens voor kiezen. En dan is
niet iedereen daar blij mee.
En dat moet
je kunnen verantwoorden. En
dat moet je, dat kun je alleen maar
geloofwaardig doen als je
integer bent. Dus die
integriteit is
belangrijk. Hard werken, dat
hangt van jezelf af.
Je hebt ook bewindspersonen
die een kleine portefeuille hebben
met een lange demissionaire
periode. Die redden zich
wel. Daar heb ik geen
medelijden mee. Maar als je op een,
voor in de vuurlinie
ligt op een ministerie waar
veel gebeurt, en ook
nog, wat ik mee heb gemaakt,
in een tijd dat er weinig
bewindspersonen , dan is het
heel hard werken. Toen ik
op EZ zat. Nu heb je,
toen hadden we, was EZ inclusief
landbouw en inclusief energie. En
nu is er een minister voor
energie. Er zijn
twee bewindspersonen op
landbouw en dan is er
de minister van EZ. Dat zijn
er vijf. In mijn tijd waren dat er
twee, een minister en een
staatssecretaris. En er
gebeurden allerlei dingen op
dat gebied. Dat kwam dan
bij jou terecht. En als je dan op
zo'n ministerie waar je veel
moet reizen,
waar je heel veel in de Kamer
bent, waar je in de
ministerraad mee moet draaien, als je
daar dan overeind wil blijven,
dan moet je heel hard
werken. En dat kan ik me
zomaar voorstellen, al die
grote portefeuilles
die ook nog een keer onder een
vergrootglas lagen of kwamen, of waar
dingen speelden, grote dingen speelden,
als je die allemaal in je
eentje of met de
staatssecretaris moet
behapstukken, dat is niet
niets. Ook in 2002 combineerde
u op een gegeven moment al
twee departementen: VROM en
Defensie. Dat…
U begon met deskundigheid,
terwijl, uw eigen loopbaan is
ook verschillende
departementen:
Vreemdelingenzaken
woordvoerder,
Integratie, VROM, Defensie,
Sociale Zaken,
Economische Zaken, weer
Defensie trouwens.
Verschillende thema's. Hoe
bouw je dan deskundigheid op?
Want die, dat is een
behoorlijke variëteit aan
verschillende
thema's waar je niet
automatisch deskundig of expert in
bent. Wij zeggen wel: bij
Volksgezondheid zou je
misschien ook arts moeten
kunnen zijn als je daar werkt.
Dat was u niet. U had een
ander profiel. Hoe bouw je
dan toch die deskundigheid op, of…? Hoe
vloog u dat aan? Je moet een
basisdeskundigheid hebben. Je
moet weten hoe
die overheid in elkaar zit. De
verschillende beleidsvelden moet je
zien en daar
basisinformatie over hebben,
ideeën over hebben. Daar
begint het mee.
Over hoe het veld eruitziet.
Maar vervolgens kom je op
een ministerie, heb je met een
deel van de overheid te
maken. En daar zit je iedere
dag tussen mensen in
die daar allemaal verstand van
hebben. En als er maar één ding
is waarvan je denkt van: daar
weet ik even niet genoeg van,
dan komen er mensen op jouw
kamer en daar praat je mee, en
die leggen
jou dat uit. En ze hebben, ze
schrijven nota's die je leest. Je
hebt zowel op papier als in de
contacten,
een-op-een contacten met
ambtenaren, heb je
iedere dag de mogelijkheden om
kennis te vergaren en kennis
aan te vullen. Hoe deed u
dat? Want die achterbak van de
auto zit dan vol met
stukken, tassen vol met
stukken. Is het vooral dat,
het lezen, of is het praten
met? Het is
praten met, maar je kunt… Kijk, 's
nachts kun je niet gaan praten
met, en in het weekend
is het ook niet zo prettig als
je ambtenaren gaat bellen om
te praten.
Dus je moet ook veel lezen. En bovendien
is het zo dat, wat je
aangeboden krijgt
als minister, dat zijn geen
prutstukken. Dat zijn mensen
met verstand
van zaken die erover nagedacht
hebben, met elkaar erover gepraat
hebben. Het is nog een keer
hun chef en de
directeur-generaal en de
secretaris-generaal
gepasseerd. En dan komt het
bij jou. Dus je krijgt alleen maar
waardevolle stukken. En ik
vind dat je
verplicht bent om die ook
allemaal te lezen, tot je te
nemen, en op
grond daarvan je werk te doen. En dat
varieert nogal eens. Zeker in
het verleden, begreep ik. Niet
iedereen las dat,
ging daar, vind ik, op een gepaste
manier mee om. Moet je een
dossiervreter zijn
om een effectieve minister te
zijn? Ik denk het wel, maar
er waren ook bewindspersonen die
geen dossiervreters waren,
maar wel heel goede
bewindspersonen
waren. Ik moest dat wel zijn om mijn
werk op mijn manier goed te
kunnen doen.
Misschien even terug naar je
eerdere opmerking die je
maakte over regels. Dat is
nu in de actualiteit ook weer
een thema.
Je hoort het
veel terug. Bijvoorbeeld
mensen die zeggen:
Nederland is dichtgeregeld.
Vorige week kwam Peter
Wennink met zijn rapport, die
het ook heel veel heeft over
regeldruk, administratieve lasten,
enzovoorts. Zeker ook aan de
rechterkant van het
politieke spectrum blijft dat
een thema waar
veel mensen op hameren. Maar
je gaf net aan van:
daar wil ik wel iets meer over
zeggen, want tegen
regels kun je op meerdere
manieren aankijken.
Even het stuk van Peter
Wennink. Jij zegt dat
dat aangeeft dat er te veel
dichtgeregeld is.
Maar de eerste verhalen van
deskundigen
zijn er al, dat ze zeggen van:
wat hij allemaal wil, dat
vraagt nog veel meer regels.
Dus het wordt wat regeldruk
betreft, wordt het er niet
beter op. Maar goed, daar ga
ik even aan voorbij.
Kijk, regels, die zijn er om
duidelijkheid en eerlijkheid te geven.
Je moet een, in een
ingewikkelde samenleving
zoals ik die net beschreef,
moet je dingen in goede
banen leiden op een eerlijke,
transparante
manier. En daar zijn regels
voor. Die zorgen dat
ontwikkelingen in de goede
richting gaan.
Die bieden ook duidelijkheid
aan ondernemers: wat mag wel,
wat mag niet. De rol van de overheid,
de rol van ondernemers, maar ook
wat er van burgers verwacht
moet worden en waar burgers zich
aan moeten houden. Ik denk dat
regels een belangrijk
onderdeel zijn van de
kwaliteit van ons
overheidsapparaat, ons
overheidsbestuur en ook van de, het
welzijn in ons land. Dat er
allerlei dingen
goed geregeld zijn betekent
dat niemand zich zorgen maakt
over de stroom die in huis
komt. Die is er
altijd. De riolering, de, het water.
Als je een ambulance nodig
hebt, dat er meteen iets komt.
Brandweer. Er is van alles en nog wat
geregeld en daar profiteer je
iedere dag van.
Natuurlijk zijn, is het wat
moeilijk om
regels die eigenlijk niet meer
zo van belang zijn, om die te
schrappen. Dat is,
daar zijn ze niet in de eerste plaats
mee bezig op die ministeries.
Die kijken steeds vooruit en
dingen die moeten
gebeuren. Dus op dat punt is
zeker wat te
winnen. En er zijn, we zijn ook in
regeldichtheid op onderdelen
zeker doorgeschoten, maar de
standaard negatieve benadering van
regels is niet terecht,
is mijn overtuiging.
En dan wil ik het graag hebben over
bestuursstijl. U staat bekend
als iemand met een vrij
uitgesproken
bestuursstijl die duidelijk
is, helder, consistent. Maar ook, je
noemde al even, soms moet je
impopulaire dingen doen en
je moet mensen geen valse hoop geven
als die er niet is. En
in interviews heb je ook wel
aangegeven
van: ik ben niet iemand die
spelletjes speelt. Ik wil
niet overdrijven. Ik wil, ik vind het
belangrijk om iedereen recht te
doen. Wat,
hoe zou je je eigen
bestuursstijl omschrijven en waar
komt die vandaan? Waar die
vandaan komt, is voor
een deel uit je ervaring wat
je allemaal
van jongs af aan hebt
opgedaan. Voor een
deel is het ook de omgeving waarin je
werkt. En je leert van anderen.
Dat vormt je. En het is
ook de manier waarop je er
karakterologisch in zit.
Ik heb bijna 25 jaar meegedraaid in
Den Haag. Ik heb nooit
gelekt en nooit gespind. En dat is,
op alle niveaus is dat heel normaal,
lekken en spinnen. Maar ik
vind lekken en spinnen, vind ik
raar. Als ik wil dat er iets
naar buiten komt, dan
breng ik het gewoon naar
buiten. En
spinnen is dat ik probeer mijn
eigen verhaal erin te
krijgen. Toch vaak ten koste
van andere
verhalen, van andere personen.
En dat bevalt me ook niet. Dus ik heb
dat altijd weg van me gehouden.
En ik heb altijd me ook
gerealiseerd dat
alles wat je doet op een
ministerie, dat dat
inzichtelijk moet zijn. Niet
alleen voor je eigen
ambtenaren, maar in
concreto ook de minister van
Financiën en de ambtenaren van
Financiën. Die moeten weten
wat er op jouw
ministerie speelt, zodat ze hun werk
goed kunnen doen. Ik vind ook dat je
transparant moet zijn, zoveel
mogelijk, voor de pers. En
'zoveel mogelijk' gaat heel
ver. En als je,
en in de Kamer, iedere
vraag die verdient
een antwoord. En niet een antwoord
waarbij ik stukken van een
ambtenaar voorlees, maar gewoon
antwoord van degene die iets
heeft gedaan, een besluit
heeft genomen en daar dan
verantwoording over
aflegt. Ik heb altijd
geprobeerd om het zo
straight en zo transparant
mogelijk te doen.
Is trouwens niet altijd de
makkelijkste weg, want met
spinnen en lekken kun je ook
veel bereiken.
Daarom is het aantrekkelijk
waarschijnlijk voor anderen om dat
te doen. Maar je zegt van: uit
principe hou ik me daar… Het ligt
me niet. Ver van. Ik vind het,
niet dat het goed is, dus
daarom doe ik het ook niet.
Maar er zijn hele
succesvolle mensen die veel
gelekt en gespind hebben. En
wat heeft dat
u gekost dan? U zegt: dit is eigenlijk
een principiële houding: dat
wil ik niet. Dus als iets openbaar
is, dan maak ik het openbaar.
Maar er zijn dingen die ik
niet doe. Er zijn grenzen aan
mijn rol en aan wat ik wil
doen. Maar dat kost me niet
echt wat. Dat is
gewoon de manier waarop ik
vind dat ik het moet doen. En als je
het dan doet, dan voel je je
ook daar goed bij. En
dat het dan weleens wat
moeilijker is, misschien was het ook
moeilijker geweest als ik het
anders had gedaan. Maar in
ieder geval
vind ik het dan niet zo
gepast. Je draagt heel
grote verantwoordelijkheid als
bewindspersoon en je moet je
heel gepast en netjes
gedragen. Dat heb ik
geprobeerd te doen.
Dus het levert iets op.
Vrede in jezelf. Wat is, ik
heb altijd een goede relatie
met de Tweede Kamer gehad.
Dat ging altijd goed, van
begin tot eind.
En ik heb het twaalf jaar lang
op ministeries
volgehouden en tien jaar lang
in de Kamer. Dus het is niet
een verkeerde manier
geweest. Levert het ook
misschien op dat
mensen met wie je het niet eens
bent, met wie je een ander
wereldbeeld hebt of een ander
standpunt hebt, dat je daar
langs die weg toch een
band van vertrouwen kan opbouwen?
Dat je weet wat je aan elkaar
hebt? Ja, ik denk
het wel. Ik heb, je had het over
bewindspersonen die boeken
schrijven in andere
landen. Ik vind het ook
volstrekt ongepast om
boeken te schrijven. Want die
mensen waar ik al die
jaren mee gewerkt heb, die
zijn er niet van uitgegaan dat 20 jaar
later mijn idee van hoe
dat allemaal is gegaan, op
papier zou worden gezet en aan de
geschiedenis zou worden
toevertrouwd. Ik vind het echt totaal
ongepast. Al die, niet
alle, maar heel veel contacten
met mensen, die,
dat zijn, het zijn contacten met een
vertrouwelijk karakter waaraan zij zich
blootgeven ervan uitgaande dat
ik daar op een gepaste manier
mee omga. Ik vind het als politicus
schrijven van een boek,
vind ik, ik kan me er niet veel bij
voorstellen. Als je daar al
die inhoudelijke dingen
weglaat en je gaat alleen maar
praten over de
informele dingen, de
contactuele dingen buiten je echte
harde werk om, dan heeft zo'n
boek ook volgens mij niet veel
waarde. Ik hoor je eigenlijk zeggen:
ieder speelt zijn of haar
professionele rol en die moet
je daarin in hun waarde laten.
En die moet je ook
beschermen, en die moet je ook
achteraf niet proberen
te beschadigen. Zeker, en je
moet je nooit
achter ambtenaren verschuilen.
Dat is niet die ambtenaar. Die
werken voor jou, die doen hun best.
Maar jij bent degene die het
besluit neemt, niet die
ambtenaar. En
die ambtenaar die is, als die zich gaat
verdedigen in de media of
zelfs via hoorzittingen in de
Tweede Kamer, die
wordt in een hopeloze positie
gebracht. Dus het is echt zo
dat, jij moet
wat er gebeurt verdedigen. En
als er wat fout
gaat op een ministerie, dan is
dat jouw schuld. En
dan krijg je in de
beslotenheid, krijg je de
gelegenheid om
daarop te reageren. Maar naar
buiten toe ben jij het die de
fout heeft gemaakt. En dan leg
je uit hoe dat gegaan is en
dat het je spijt en hoe je
gaat proberen te corrigeren.
Besturen is ook het moeten
nemen van impopulaire
beslissingen.
Je staat niet bekend als iemand
die van de zachte heelmeesters is. Hoe
typeer je dat voor jezelf? Hoe ben je
daar ingegaan? Impopulair.
Laten we eens
over Groningen praten.
Groningen, daar had je, daar hadden we
tientallen jaren
aardgaswinning achter de rug. Dat was,
waren enorme bedragen die in de
Rijksschatkist vloeiden. Maar
heel Nederland was aangesloten
op laagcalorisch
Gronings gas. En alle
bedrijven,
alle huizen, alle
ziekenhuizen, alles zat op dat
laagcalorisch Gronings gas. En
toen op een gegeven moment
kwamen daar ernstige
aardbevingen en moest daar dus dat, die
gaswinning moest veranderen om
die ellende
voor de mensen in Groningen zo
snel mogelijk te
beperken. Maar je kunt niet
van de ene dag op de andere
zeggen van: we stoppen met die
aardgaswinning, want dan ligt
het hele land plat. Omdat er geen
gas als energie is, geen gas
voor verwarming is, geen
gas om te koken in de keuken.
Er moet… De afhankelijkheid was te
groot. Was heel erg groot. Wat
ik moest doen, is kijken
van: wat is er op het punt van
leveringszekerheid
noodzakelijk? Hoe
snel kunnen we op iets anders overgaan?
Besparing van gasgebruik.
Gas wat je uit het buitenland,
laagcalorisch gas wat je kunt
proberen uit het buitenland te
halen, is er haast niet.
Als je hoogcalorisch gas met
stikstof vermengt, kun je het
dan laagcalorisch
maken? En in welk tempo kan
dat gebeuren? Dus wat
ik moest doen was zorgen dat de
leveringszekerheid van aardgas
overeind bleef en dat de
aardgaswinning, dat die
verminderd werd. Dat is in een
bepaald tempo gegaan. In het
laatste jaar voordat
ik kwam, werd er 50 miljard
kubieke meter aardgas
gewonnen, en mijn laatste
besluit na bijna 5 jaar, was
20 miljard kubieke meter. En
in al die tijd is
de leveringszekerheid overeind
gebleven. En de
aardgaswinning is dus met meer
dan 60%, tegen 70% aan
verminderd. Maar dat is geen,
dat was geen
populair verhaal. Populair
verhaal is,
mensen in Groningen, die
hebben alleen
maar ellende gehad van die
aardgaswinning. Ze
hebben onzekerheid over hun
huis, over hun
eigen regio die beschadigd
wordt door die
aardgaswinning. Dus de
aardgaswinning moet
eigenlijk,
stilgelegd worden, heel erg
verminderd worden.
En dat ging dan op de manier
waarop ik het deed, niet snel
genoeg. En dus
waren die besluiten die ik
nam, niet populair. Maar goed,
ik moest ze wel nemen. Ik heb
ze ook verdedigd in de
Tweede Kamer en ze zijn nog
steeds geaccordeerd door de Tweede
Kamer totdat ik wegging en
toen 20 miljard
was. En daarna is het nog
verder afgebouwd tot wat het nu is.
Het aardgasdossier is
misschien wel bij uitstek
een dossier in de politiek waar
die rationele technische kant
aan zit, maar waar
soms de emotionele kant de rest
overstemt. Wanneer werd u dat
duidelijk, hoe
heftig dat was?
Vanaf dag één. Ik ging
natuurlijk, als je minister
bent, ga je het gebied
in. En dan praat je met
bestuurders. Maar ik heb ook
grote bijeenkomsten met mensen
uit het gebied gehad.
En er waren ook mensen die heel
indringend op me afkwamen. En
er waren ook mensen die
met een hele groep op de
dienstauto zaten te, met
hun vuisten. Dus het was, het werd
heel indringend naar mij
duidelijk gemaakt.
Maar ik kon het zelf ook heel
goed snappen, wat daar gebeurde.
En kijk, hier is
op het punt van
aardgaswinning, is alleen maar
profijt, waar ik woon en waar
de meeste mensen in Nederland
wonen. Je hebt dat gewoon.
Maar daarginds
hadden ze de ellende, en dat
concentreerde zich op een
klein gebied.
Dus ik snapte het allemaal
heel goed.
Het moest gebeuren. In
deze gesprekken gaan we,
hebben we ook altijd een
onderdeel waar we aan de
mensen vragen van:
als je minister bent, hoe ziet dan je
leven van dag tot dag eruit?
Over je tijdsbesteding, over
de agenda van dag tot dag, het ritme van
de weken, om het zo maar te
zeggen. Kun je daar wat over
vertellen? Ja. In een
demissionaire periode - en als
je naar de afgelopen vier jaar kijkt,
dan hebben we meer
demissionaire periodes gehad dan
andere periodes - maar als je
in een demissionaire periode
zit, heb je geen nieuwe
initiatieven. Bijna geen
wetgeving in de
Kamer. De druk is er helemaal af. En
als je ook nog een kleine
portefeuille hebt, dan red je het
wel. Maar als je een, in een normale
periode op een
zwaar ministerie zit, dan is de druk
heel groot. Er moet ontzettend
hard gewerkt
worden, de hele week door.
Hele lange
dagen. En in het weekend ga je
naar huis, maar dan ga je
niet gewoon je normaal gedragen
thuis, want je hebt heel veel
dingen die de week
erna moeten gebeuren en die je
dus in het weekend moet lezen.
En vaak ook dat je op
zondag al weggaat, omdat je
naar het buitenland moet. En
dan moet een reis gemaakt
worden om maandag in het
buitenland je werk te kunnen
doen. Ik sliep
in die jaren vier uur per
nacht en ik werkte heel erg hard. Dat
is gewoon zo. En thuis gedraag
je je ook niet zoals een
normaal mens zich gedraagt.
Dus dat het hier allemaal
goed is gegaan… Mijn vrouw en
ik zijn 55 jaar bij elkaar
en onze kinderen, daar gaat
het geweldig mee, maar dat
is allemaal aan haar te
danken. Het vraagt best
wat van je als mens
en je directe omgeving.
Dat is zeker waar. Vooral
van je directe omgeving vraagt
het… Van jezelf is het niet
zo'n probleem, omdat, je mag
bezig zijn om te
werken voor het algemeen
belang. En wat is nou leuker en
mooier dan in een land te
werken en je werk te doen,
en dat te doen waar dat
iedereen in het land daar wat aan
heeft, dat hij daarvan
profiteert?
Het is heel mooi om voor het
algemeen belang te mogen werken.
Als ik vervelend werk had moeten
doen, had ik dat nooit in dat
tempo waarin ik
het heb gedaan, volgehouden.
Maar ik had juist heel mooi,
uitdagend werk wat ik heel
graag wilde doen en
wat mijn invulling van mijn leven is
geweest. Dus ik heb dat nooit als een
grote last ervaren. En waar
gaat die tijd dan vooral naartoe?
Is dat vooral contacten met andere
politici, medeministers, de
Tweede Kamer, dat soort
dingen? Of is het in het
departement,
of de buitenwereld? Hoe ziet
die verhouding tussen
die drie werelden eruit? Hoe
zag u het voor u? twee
ministeries praten. Defensie
bijvoorbeeld.
Defensie ben ik heel vaak in
mijn tijd naar
Irak geweest om daar… Vaak is… Waar de
krijgsmacht betrokken was bij
grote missies.
Tien, veertien keer. En ook
even vaak naar
Afghanistan en ook naar andere
landen, daar waar de
krijgsmacht was. En dat
betekent dat je daar,
je reist daarnaartoe, je bent
daar een aantal dagen, je
reist weer terug. Dat
is op dat ministerie een
belangrijk
deel van je werk. Dan, omdat er zoveel
uitzendingen waren, waren er
ook veel vervelende dingen. Dat
mensen gewond raakten, mensen
overleden.
En dan ga je naar de
familie toe, naar de naasten
toe om daarmee te praten. Dat
is ook een deel van
je werk. En verder, er moet,
als je uitzendingen hebt,
moeten er allerlei besluiten
genomen worden over:
is dit goed geregeld? Is de
ambulance, de
ambulancevoorziening in
noodgevallen voor
elkaar? Is de huisvesting voor
elkaar? Is het werk wat
we moeten doen acceptabel? Is de
opvolging als wij daar
weggaan, is dat geregeld? Je bent daar
ook heel intensief mee bezig.
Verder zijn er
heel veel dingen op zo'n
ministerie die gebeuren
waar de buitenstaander geen
weet van heeft. Problemen
met militairen, problemen met
ambtenaren op het ministerie.
Die kwamen ook
langs uw bureau. Die komen ook
allemaal langs je bureau. En
verder, je maakt deel uit van
de ministerraad, en
dat vind ik de grootste
verantwoordelijkheid. Je zit
als minister van Defensie niet alleen
maar in de ministerraad om
over defensie te praten, maar
je moet ook
participeren in allerlei
andere besluiten. En als
je je daar niet op voorbereid hebt, dan
maak je je
verantwoordelijkheid niet
waar. Dus ook
daar stak ik tijd in om dat te
doen. Verder moet je met je eigen
partij, de mensen in je eigen
partij moet je contacten
onderhouden en… Die moeten
weten wat je doet en
waar je mee bezig bent. En je
bent met de media veel
bezig. Waarom is dat
belangrijk voor een minister?
Omdat het een onderdeel van je werk is.
We hebben het land zo
georganiseerd dat er, er is
democratie. Democratie wordt
ingevuld door politieke
partijen. En die politieke
partijen, die hebben leden en
die hebben programma's,
verkiezingsprogramma's. En die
hebben lijsten, en die hebben allerlei
vertegenwoordigers op allerlei
plekken zitten. En jij bent
daar een onderdeel van op een
hoge positie. Dus je moet dat,
je moet daar ook je,
in dat verband moet
je je ook gedragen en daar
moet je ook tijd in
steken. Zo zijn er
veel meer dingen waar je
op zo'n ministerie van Defensie
iedere dag mee bezig bent. En
dat is heel
heftig werk. Maar dan, het
ministerie van
EZ waar ik op zat… Ik heb al
verteld dat dat een ministerie was waar
veel speelde. Energieakkoord is
gesloten, Groningen.
Buitenlandse reizen.
Dat moest je veel doen. Dan voor
het mkb in Nederland opkomen
voor de, voor
VNO-NCW. Je moest met de vakbonden
omgaan. Ook alle gewone
dagelijkse dingetjes op zo'n
ministerie. Ook dat was heel
hard werken. Sociale Zaken net zo.
En VROM was
redelijk normaal in de eerste
paar maanden, maar toen kwam
Defensie erbij en toen werd
het toch ook druk.
Heb je terugkijkend
lessen of tips voor mensen die dit
misschien in het volgende
kabinet gaan doen? Om
die druk en hoe je dat
als mens en met je directe
omgeving, hoe je dat
volhoudt? Zijn er dingen
waarvan je zegt van: dat had ik graag
geweten voordat ik eraan was
begonnen? Of: dat zou ik graag door
willen geven aan mensen die nu of in de
toekomst die rol gaan
vervullen? Ja.
Zorg dat je een goede
samenwerking met de ambtenaren
hebt. Als je dat hebt,
dan maak je je eigen werk, je eigen
functioneren, veel
gemakkelijker. Als dat niet zo is
en er is spanning tussen jou
en de ambtenaren, dan
maak je het jezelf heel veel
lastiger. Dus dat is het
allereerste
wat ik zou doen. Tweede is,
zorg dat je een goede
politieke assistent hebt. Ik
ben zes jaar minister
geweest zonder politieke
assistent en zes
jaar met. En heb ik in die
periode één
politieke assistent gehad. En
die is nou
vicevoorzitter van de
VVD-fractie. Een heel
begenadigd Kamerlid, heel goed
Kamerlid. En die was ook
heel goed toen ze mijn
politieke assistent was, dus
dat was heel gemakkelijk.
Ik vind dat je als
bewindspersoon
erg geholpen wordt als je een
politieke assistent hebt die ook
geloofwaardig is voor
Kamerleden. Want je kunt
zelf niet in het directe
contact met de Kamerleden
alles doen wat je zou willen
doen. En heb je
een politieke assistent waar
Kamerleden mee willen praten en mee om
willen gaan, en die wat, die
van betekenis
is voor die Kamerleden, dan
kunnen die Kamerleden ook voor jou van
betekenis zijn. En dat maakt
jouw werk ook gemakkelijker.
Dus ik zou de,
adviseren om een goede
politieke assistent te nemen.
Wat voor soort werk deed zij
eigenlijk voor u?
Vooral de contacten met de
Kamerleden. Maar ook
klankbordfunctie. Je trekt de
hele dag samen op.
Je bespreekt dingen met elkaar.
In de advisering naar mij toe,
speelde ze een bescheiden rol, omdat dat
inhoudelijke advisering is die de
ambtenaren deden. Maar de
contacten met de ambtenaren,
of met de Kamerleden,
daar speelde zij een
belangrijke rol in. Ik deed
het zelf ook,
maar zij deed dat intensief,
intensiever.
En daar heb ik ook van
geprofiteerd. En hoe ging die,
hoe waren de verhoudingen tussen,
of hoe kijk je naar de
verhouding tussen
een assistent en het staande
departement? Goede
mensen die dat snappen, hoe
dat in elkaar zit,
die hebben daar geen probleem
mee. Maar mensen die dat niet
snappen, daar
liggen de problemen voor het
opscheppen. Dan
kunnen, de een kan de ander
als een concurrent zien.
En: je hebt makkelijk toegang tot
de minister en wij niet, en… Dan,
er zijn allerlei problemen te
bedenken, maar als je iemand
hebt die dat vak beheerst en die
de diverse
verantwoordelijkheden van de diverse
spelers begrijpt, en ook wat
belangrijk is, die kwaliteit richting
Kamerleden te bieden heeft,
dan wordt het allemaal een stuk
makkelijker. Ik heb het zes
jaar zonder
politieke assistent gedaan.
Dat ging ook, maar
met was het gemakkelijker.
En wat, wie waren eigenlijk uw
adviseurs? Ik hoor dus de, politieke
assistent. Die ambtenarij heb
je nodig. Ik denk dan
aan bijvoorbeeld de
secretaris-generaal van een
departement, of misschien
de directeuren-generaal op dat
departement.
Beleidsambtenaren. Klopt dat,
of zijn er ook nog andere
die…? Beleidsambtenaren
in de eerste plaats. Die, als
je die dingen inhoudelijk wilt
bespreken, daar zijn een
aantal mensen
mee bezig geweest. En er zijn
anderen die dat georganiseerd
hebben en die dat
gecontroleerd hebben en die
dat geaccordeerd hebben.
Maar de beleidsambtenaren in
de eerste plaats. Dat is
de eerste, de primaire bron
van advies. Maar ook de
directeuren
van die beleidsambtenaren. Die
weten wat,
waar het over gaat en die zijn ook
gesprekspartner. En hetzelfde
geldt voor, vaak voor
directeur-generaal. Daar had
je ook veel contact mee. En ik had
drie, vier keer per week
intensief contact met
de SG. SG is ook heel
belangrijk.
En op Defensie was dat
eigenlijk iedere dag. Defensie
begon ik iedere dag
om negen uur met de ambtelijke
top, met de militaire
top, en met de
staatssecretaris en ik. Wij begonnen,
iedere dag begonnen we daarmee.
En dan had ik met die… Ook met de
voorlichters, de directeur
Voorlichting,
en dan de assistent. Die was
er toen nog niet, maar andere
ministeries wel. Maar daar heb
je dan intensief contact
mee. En dat is, het zijn
echt dingen die,
als dat goed loopt, kun je ook
in de Kamer en naar buiten toe,
kun je ook je werk naar
behoren doen.
En het zijn dus meer dat soort
adviseurs, dus uit het
departement, dan bijvoorbeeld vanuit de
partij, of vanuit
de wetenschap, of waar dan ook. Of
uit de sector, of… Op
EZ had ik wekelijks of
tweewekelijks
contact met de
baas bij VNO-NCW en zijn directe
medewerkers. En ook met de
vakbonden veel contact. Bij
Sociale Zaken
had ik heel veel contact met
de vakbonden.
Mensen in de wetenschap,
niet rechtstreeks. Dat ging, die
hadden hun input naar het
ministerie toe en naar de
ambtenaren, en dat
kwam dan op die manier bij
mij. Komt dan getrapt
binnen. In de partij, in, op twee
manieren. Iedere
donderdagavond heb je
bewindspersonenoverleg en daar zit de
fractievoorzitter van de
VVD in Europa, zit daarbij. Althans,
is voor een vrouw of voor een
man. Dus dat is de vooravond
van de ministerraad
waar je met de eigen ministers en
de topstukken uit de partij
bij elkaar zit.
De eigen ministers en
staatssecretarissen. De
partijleiding
zit daarbij, de hoogste
VVD'ers in het Europees
Parlement. De
fractievoorzitter
van de Eerste Kamer,
fractievoorzitter van de
Tweede Kamer.
Die zitten daarbij. Dat is je
belangrijkste ingang voor wat
betreft de
partij. Maar verder was het
ook zo dat,
je wist dat bepaalde mensen in
de partij goed
waren in bepaalde onderwerpen
en deskundigheid hadden, en
die vroeg je dan, of zij
meldden zichzelf.
En op zo'n manier kwam je ook
met hen in contact. Maar dan
was het niet zozeer, dan ging
het niet zozeer om
wat ze vanuit de
partij-achtergrond te vertellen
hadden, maar meer op het punt
van hun eigen deskundigheid.
Een voorbeeld: met Frank van
Kappen in de
Eerste Kamer gezeten. Die is een
partijgenoot van mij, maar ook
zeer deskundig
en internationaal en militair,
Verenigde Naties-ervaring. Ook
in de, als
baas van de
mariniers. Maar dat is iemand
met, een partijgenoot met een hele
brede specifieke ervaring.
Daar had ik ook
regelmatig contact mee. Een
voorbeeld.
Een vaste prik is
donderdagavond,
bewindspersonenoverleg.
Daarin wordt al een beetje
de agenda van de ministerraad de
ochtend daarna doorgenomen. Die
ministerraad zelf op
vrijdagochtend,
dat is een heel belangrijk
gremium als je minister
bent. Je gaf net al even aan,
je zit er niet alleen maar
voor je eigen portefeuille,
want de besluitvorming is
collegiaal.
Dus je kijkt mee en je wordt ook
geacht in volle bewustzijn
op de bespreekpunten van de
anderen mee te doen en daar in
de besluitvorming mee te doen.
Hoe werkt die dynamiek? Hoe
werkt die dynamiek met
je collega's van je eigen
partij, maar ook die
van de andere
coalitiepartners? Wat
voor beeld heb je
daaraan overgehouden? Met
sommige bewindspersonen heb
je intensief contact.
Bijvoorbeeld met
de bewindspersonen van
Financiën heb je altijd
intensief contact.
Maar als je op Sociale Zaken
zit, heb je ook met
Economische
Zaken contact. En zit je op
Economische Zaken, dan
zijn er ook dingen bij
Infrastructuur
en Milieu die van belang zijn.
Dus er zijn directe contacten
met andere
bewindspersonen, andere
ministeries.
Verder is het zo dat je,
je hebt niet alleen maar de
ministerraad om je
betrokkenheid bij
alle onderwerpen invulling te
geven, maar je hebt ook
onderraden, en daar kun je
hetzelfde doen. Dat zijn,
onderraden
zijn groepjes van
bewindspersonen
die met een bepaald
beleidsveld bezig
zijn. En als er belangrijke
dingen gebeuren, worden die niet
rechtstreeks in de
ministerraad gebracht, maar
eerst via een onderraad gebracht.
Daarnaast heb je contact met de
minister-president die zich
met allerlei dingen bemoeit.
En dat is het werk.
Vervolgens komt het in de
ministerraad. En ik moet
zeggen, daar
ben ik niet van onder de
indruk dat dat helemaal goed
loopt. Kijk, bewindspersonen,
die worden heel
erg sterk gevoed door hun
ministerie.
Vooral wat de dingen betreft
die dat eigen ministerie
aangaan. Maar voeding voor wat
betreft al
die andere onderwerpen die
spelen, is in beperkte mate het
geval. Dus dat komt echt op de
bewindspersoon zelf
neer. Niet iedereen heeft daar
de tijd en de aandacht voor.
Ik denk dat de ministerraad, leunt
toch heel sterk op de
portefeuillehouders en de
minister van Financiën en de
minister-president.
Ieder onderwerp gaat er toch
vooral om: wat vindt de
minister-president? Wat vindt
in de eerste plaats een
portefeuillehouder, en
wat vindt de minister van
Financiën ervan? En de rest zit
toch op behoorlijke afstand,
vind ik. Dat zou wel wat
anders kunnen. Waarom was dat
voor u anders? Want diezelfde
prikkels golden toch ook voor
u? Het eigen departement
heeft ook genoeg om te doen,
er is genoeg drukte,
maar toch, u
herhaalt dat meerdere keren:
ik ben ook bezig met die andere
dossiers die in de
ministerraad liggen. Dat is je
verantwoordelijkheid. Ik
vind het heel raar om deel te
zijn van een
besluit, en dus ook
medeverantwoordelijkheid
voor dat besluit te dragen als
je niet goed weet waar het
over gaat.
En daar niet genoeg over
gepraat en nagedacht hebt, en
ook over gelezen hebt. Dus ik
probeerde de
belangrijke onderwerpen buiten
mijn eigen portefeuille ook
altijd aandacht te
geven.
Misschien zoals we het in
Borculo ook deden,
als wethouder collegiaal bestuur.
En ook in de provincie deden
we dat. En in de regio
deden we dat ook zo. Ik
vind het niet juist om het
niet zo te doen. En je,
omdat je op zo'n invloedrijke
hogere positie zit,
is je verantwoordelijkheid
heel groot en moet je dus ook,
vind ik, daar
je best voor doen op de manier
waarop ik het net beschreef. En
als je daar een beetje
kritisch naar wil kijken, kun je ook
zeggen: er kan best
spanning ontstaan tussen
afzonderlijke bewindspersonen
als sommigen meer, inderdaad, de
houding hebben die jij
aangeeft, van: met
elkaar meekijken en samen tot
besluiten komen. En
anderen meer een soort van
non-interventie-houding
hebben, van: ik heb mijn
portefeuille
en daar doe ik mijn ding op.
Ik bemoei me niet met jou,
maar dan verwacht ik ook dat ik
mijn eigen zaken kan regelen
als het op
mijn portefeuille aankomt. Dat
gaf af en toe wat spanningen,
maar daar word ik niet
anders van. Dat doet me
helemaal niets.
Ik vind, zulke dingen, die
spanningen horen er een beetje
bij en is ook voorspelbaar. En
misschien dat een ander niet
doet wat jij vindt dat moet
gebeuren, maar misschien doe
jij wel niet wat een ander
vindt dat er moet
gebeuren. Dat zal allemaal
wel. Maar wat overeind
blijft, is dat er een besluit
genomen moet worden en dat je
daar medeverantwoordelijk voor
bent. Dus u bemoeide zich er ook mee.
Dat doet me dan verder niets. En de rol
van de minister-president
lijkt me daar
ook belangrijk in. Hoeveel, of dat
aangemoedigd wordt, of dat dat
minder aangemoedigd wordt. Ik heb
zelden meegemaakt dat
Balkenende of Rutte, dat
waren de enige twee waar ik
mee te maken had, dat die daar geen
ruimte voor boden. Kunt u hen
eens misschien een beetje
naast elkaar…? Hoe pakken zij dat,
hoe pakten zij dat aan, in
uw ervaring? Dat proces
richting de ministerraad en
alles daaromheen.
Zaten daar grote verschillen
in? En deed
het dan ook iets misschien met
hoe u zich gedroeg
als je iets door de
ministerraad wilde krijgen?
Het verschil…
Ze deden allebei
erg hun best om het
goed te doen, en ze werkten
allebei heel hard.
Dus ik heb voor allebei veel
bewondering
gehad. Zeker. En ik heb ook
prettig met ze gewerkt. En
dat is van begin tot eind zo
gebleven. En hoe ze nou
precies hun werk deden…
Kijk, zo'n, jullie weten dat
wel, zo'n ministerie van
AZ, daar heb je een, behalve
dat je met de
voorlichtingsmensen te maken hebt en
met de secretaris-generaal,
heb je daar
raadsadviseurs zitten die zich
met de ministeries
bezighouden. En wat hun… Een
heel klein clubje
adviseurs rondom de premier.
Hele goede mensen
die voor één of twee
ministeries
verantwoordelijk waren en
daar, dat ook heel goed in de gaten
hielden. En daar dan ook de
minister-president over
adviseerden. En de
secretaris-generaal van AZ,
die had ook contact met de
secretaris-generaal
van de ministeries. En op die
manier kwam er heel
veel informatie bij
de minister-president terecht die
vervolgens… Als hij dan
eenmaal een standpunt innam, dan
moest je van goede huize komen om daar
dan in de ministerraad nog wat
aan te doen. Dus
dat was wel van belang, dat je
je constructieve relatie had
met de minister-president. En
het was ook van belang dat je,
als je je met onderwerpen
bemoeide, dat je dat deed op basis
van argumenten. Dat je dat deed met
argumenten op basis van kennis
die je had. En als je dat
deed, dan was er niemand, ook
geen minister-president, die je daar
dan in de weg zat. Maar de
minister-president, die twee
die ik meegemaakt heb, die
vervulden een
duidelijke voortrekkersrol in
het geheel.
Er wordt gezegd dat zo'n
ministerraad een soort
slotceremonie is. Er worden
besluiten genomen, die worden
daar genomen, en
tegelijkertijd worden ze
materieel gezien, dus
inhoudelijk gezien, feitelijk
gezien, misschien al
eerder stapsgewijs genomen.
Door dat proces van
afstemmen, bellen, onderraden,
bewindspersonenoverleg. Is dat uw,
ook uw beeld? Het is wel het
beeld. Het is wel zo dat je,
het is lastig om als je, als er iets
goed voorbereid is en je komt
in de ministerraad met
je verhaal, met argumenten, en
je wilt het anders, dan is het
lastig om daar nog… Dan ben je
te laat, eigenlijk.
Lastig om daar nog wat aan
te doen. Maar het is niet zo
dat alles maar afgetikt wordt.
Als je iets met kracht van
argumenten brengt in zo'n
groep, dan kan
het maar niet zo genegeerd
worden. Als ik zeg van:
ik ben het er niet mee eens,
dat moeten we zo niet doen, dan
gebeurt het wel. Maar als ik
zeg: luister, als
we het op die manier doen, dan
zijn dat de effecten. En je
kunt het beter
op deze manier doen, want dan
krijg je dat effect en dat is
gewenst. En
je kunt dat
verdedigen dan en toelichten,
dan kun je
er ook wat mee bereiken. Je
zit niet voor niets in die
ministerraad.
Het is wel zo dat je,
ministerraden,
vroeger, in de tijd
van Den Uyl en zo, dat ze, dat
die heel lang duurden. Tot midden in
de nacht, en zo. Want je had
Pronk, en zo. Dan
werd er heel veel en heel lang
inhoudelijk gesproken. En nu
is het allemaal
wat meer geformaliseerd.
En ik vraag me dan af: hoe kun je dat
praktisch doen? Want aan de
ene kant, je bent met z'n
allen verantwoordelijk voor
alle besluiten die
genomen worden. Maar aan de andere
kant, de hele wereld, alle
wereldproblemen die komen daar op de
agenda. Je moet er vroeg bij
zijn, maar je hebt
ook je eigen departement en je
eigen portefeuille te doen.
Dus hoe weet je op
tijd wat er speelt op andere
departementen en hoe je je
daartoe wil
verhouden, of wat je daarin wil
bijsturen of benadrukken of
argumenten wil inbouwen?
Want als je, dat op die
vrijdagochtend gebeurt dat het
voor besluitvorming staat, dan
vis je sowieso achter
het net. Hoe heb je daar dan, speelt de
politieke assistent daar ook
een rol in? Of hoe kun je dat
voor jezelf managen?
Wat je doet, je hebt
ook te maken met de media. Het
is niet slechts zo dat jij
alleen maar de media voedt,
maar de media voeden jou ook.
Er is heel veel informatie die
op allerlei manieren via de
media bij je komt.
En als je er, lang in dat
vak zit, dan kun je de minder
belangrijke dingen,
die filter je eruit. Wat echt
van belang is, dat neem je in
je op en dat is dan iets wat
je in je hoofd hebt.
Vervolgens heb je altijd de
gelegenheid om rechtstreeks
een-op-een met
collega-bewindspersonen te
bellen en te praten. Dat
gebeurt ook intensief. Dat is
de eerste stap.
Vervolgens heb je de
onderraden waarin je wat kunt
doen. Dan heb je het BPO wat je
kunt gebruiken. En daarna komt
die ministerraad
nog een keer. Dus je hebt eigenlijk
vier formele stappen:
rechtstreekse
contacten met je collega's,
onderraad, BPO, en
ministerraad. Wat ook wordt
gezegd over
de ministerraad, is dat het
een plek is waar de,
er kan natuurlijk verschil van
mening zijn. En
dat kan zich, dat kan
betekenen dat het een
interdepartementaal conflict
is: het ene ministerie wil
A, en die andere die wil B. Of tussen de
partijen. En dat je misschien ook, dat
een manier om daar effectief
in te zijn, is
om te kijken: wat voor soort
issue wordt dit? Willen
we een soort conflict tussen
die ministeries ervan maken,
of tussen partijen? Herkent
u dat, en deed u dat, gebeurde
dat ook? Aan de
lopende band heb je conflicten
tussen ministeries. Maar dat
komt omdat,
ieder ministerie heeft eigen
verantwoordelijkheid, eigen
invalshoek. Dan,
dat is niet hetzelfde als van een ander
ministerie. Dus daar, zijn
dingen die daar spelen.
Zeker. Maar dat is normaal. Dan,
met collega's van andere
partijen in de
ministerraad. Er is toch wel
een losse… Want die hebben ook hun eigen
bewindspersonenoverleg gehad. Daar
zitten, zijn af en toe
spanningen, omdat er
verschillend
gedacht wordt. Maar het is ook zo dat
er een sterk bewustzijn is van
collectieve
verantwoordelijkheid, en dat
je er samen uit moet
komen. Als dat niet het geval
is, dan heeft zo'n
kabinet ook geen lang leven.
Dus ik denk dat, die
spanning is er wel, zowel op
politiek als op ambtelijk
niveau, maar speelt zich af
in een omgeving van
bewustzijn van collectieve
verantwoordelijkheid, en
van weten dat je
ook naar elkaar moet geven en nemen.
En kan dat ook een, misschien
een tip zijn? Of zie ik het
dan verkeerd?
Voor misschien toekomstige
bewindspersonen? Dat je dat ook
kan zien als een soort
schakelbak. Dus:
oké, maak ik hier een
departementaal conflict van,
of een partijconflict? Als je probeert
toch de steun van de
ministerraad te vinden.
Allebei komt op
je af. Dat, die
departementale verschillen die
komen op je
af. Dat de politieke partijen er
verschillend over denken, dat
is ook, dat komt ook
op je af. En vervolgens moet je,
wordt er toch echt inhoudelijk
gepraat op die vier
niveaus waar ik het net over
had, om te kijken: heeft die
ander niet gelijk, kunnen we niet,
moeten we hier niet toegeven?
Of: is er een
compromis mogelijk? Of: is dit
punt voor ons zo belangrijk
dat we dat vast moeten
houden? Dat is
het politieke vakwerk wat
verricht moet worden. En
anders is een
kabinet geen lang leven
beschoren, zei u. U heeft
er behoorlijk wat gezien.
Rutte II zat de rit uit. De
rest niet.
Zie je dat aankomen in zo'n
ministerraad, of…?
In de ministerraad niet
zozeer. Je ziet het wel in de
relatie met de Kamer
aankomen, en je…
Soms word je ook heel bot voor
voldongen feiten gesteld.
Bijvoorbeeld dat een
gedoogkabinet met
Wilders, dat hij op een
gegeven moment gewoon zegt
van: dat doe ik niet, ik stap
eruit. En dan heeft hij de
laatste keer weer hetzelfde gezegd:
ik maak deel uit van een kabinet,
maar ik hou ermee op. Na elf maanden.
Op zo'n manier gebeurt het
soms heel erg bot.
Het gebeurt ook omdat er
onderhuidse
spanning is. Bijvoorbeeld op
het punt van immigratie.
Al die jaren dat ik in de
Tweede Kamer heb gezeten, als
Kamerlid en als
minister, is er op het punt
van immigratie te
weinig gepresteerd. We hebben,
met name die asielinstroom hebben
we absoluut niet onder controle
gekregen. Je ziet ook dat de
inpassing van de
arbeidskrachten uit
Oost-Europa,
dat dat tot veel misstanden
heeft geleid.
Het heeft al die tijd niet tot
de noodzakelijke en
gewenste oplossingen geleid. En dat
gaf spanningen, met name bij
de VVD. We moeten, we kunnen,
we krijgen het niet
voor elkaar. We krijgen de
steun van de Kamer niet op
de punten die we belangrijk
vinden. Ook in de
ministerraad komen we er niet
verder mee. En
daar, dat is ook de val van Rutte
III geweest, dat die… Maar dat
was… Want dan wordt
een partij onrustig. Er moet
meer gebeuren. Dat kwam niet
uit de lucht
vallen. Maar dit was een
belangrijk punt wat we, wat
voor elkaar gemaakt moest
worden. En ondanks dat de VVD in het
kabinet zat, is dat in
onvoldoende mate
gelukt. Wat is dat? Je, ik zou
het nog wel
sterker kunnen uitdrukken. En
dat gaf ook
een extra spanning.
Dus die spanning zit misschien
minder in het kabinet,
dat kan per kabinet
verschillen, maar in… Ook bij
jezelf, bij je
eigen club. Of bij je eigen
club, inderdaad. En dan,
dat uit zich ook in de relatie
met de fracties, met de
Kamer? Dat uit zich
erin of je de
overtuiging hebt dat je nog op een
verantwoorde manier deel kunt
uitmaken van een coalitie, van
een kabinet. Er is altijd,
door de VVD bijna altijd
gedacht van:
we moeten zo goed mogelijk
proberen dat
aan te pakken, maar er zijn
ook een heleboel andere dingen
die we belangrijk
vinden. En laten we deel blijven
uitmaken van de coalitie, van
het kabinet, om toch
ons werk zo goed mogelijk te
kunnen doen. En dat wat
we belangrijk vinden, om dat
voor elkaar te krijgen.
Maar op het punt van
immigratie is dat onvoldoende
gelukt, vind ik. Integratie
trouwens ook. Ik denk dat ons
land met een hele goede sociale
zekerheid, daar is de prikkel om
te gaan werken en via werk te
integreren, is
te klein. Als je kijkt wat je,
als je naar
Nederland komt en je hebt
gratis gezondheidszorg,
je hebt gratis onderwijs, je
krijgt een
sociale huurwoning met
huurtoeslag, je krijgt een
zorgtoeslag, je krijgt een
uitkering. Er zijn, dat is
bijzondere bijstand. Zijn
allerlei andere dingen
die voor je geregeld worden.
En als je dat pakket ziet
en het pakket van iemand die
op de arbeidsmarkt begint, en
moet beginnen tegen het
minimumloon, daar zit geen enkele
prikkel. En die prikkel van, om
te gaan werken en om via werk te
integreren, die er in Amerika
in sterke mate is, die
is bij ons in hele beperkte
mate het geval. En ook
daar vind ik dat we er niet
in geslaagd zijn om daar
wezenlijke
veranderingen voor elkaar te
krijgen. En dat geef,
ik praat even voor mezelf in
ieder geval, dat geeft, dat
gaf bij mijzelf wel
zorg en dus inhoudelijke spanning.
We hebben, op veel
punten is aan bod gekomen hoe
mooi het werk van minister is,
en hoe eervol. En hoe
je kan bijdragen, enzovoorts.
Maar wat zijn nou de punten
als het, als een
ministerschap is afgelopen, die je
niet mist? Waarvan je denkt: dat
kan ik missen als kiespijn,
dat vond ik een
schaduwkant van dit werk? Dat
je je thuis niet kunt
gedragen zoals moet. Dat is,
vind ik een
grote schaduwkant. En de
fysieke belasting, de,
het grote aantal uren wat je
permanent moet
maken, heb ik niet gemist. Ik
kon er altijd mee
omgaan. Ik heb er nooit, ik
ben nooit ziek geweest.
Ik heb nooit, ik heb ook nooit last van
spanning gehad. Dus ik kon het
allemaal wel opbrengen, maar
het is een
forse opgave om dat te moeten
opbrengen.
En als je dan gepensioneerd
bent en dat valt weg,
en je kunt je normaal gedragen
in huis, en je hebt niet
die werkdruk, dat is wel wat dan, dat
zijn dingen die
je niet mist dat je die kwijt
bent. En denk
je dat dat een gegeven is, of
kan daar ook wat
aan gedaan worden? Kun je daar,
misschien als individu, maar
misschien ook als
stelsel, wat aan doen om dit
werk ook op dat vlak wat
draaglijker te maken? Je
bent bewindspersoon in een
hele kritische
omgeving en je
verantwoordelijkheid is groot.
En ik denk dat het heel lastig
is om dat allemaal prettig te
maken voor een
bewindspersoon. Kijk, je hebt,
op zichzelf, je hebt
nooit zorgen over
logistiek. Je hebt nooit
zorgen over
ambtelijke ondersteuning. Die
is altijd goed voor elkaar.
Daar word je al ontzorgd. Er
wordt al heel
veel voor je gedaan.
En wat je nou nog meer kunt doen,
ik heb er zo geen idee over.
Het is ook niet nodig om het
twaalf jaar te doen. Je kunt het ook
vier of zes jaar doen. Dat is
ook al heel aardig, en dan kun
je daarna weer normaal doen.
U heeft het veel langer
gedaan. Twaalf
jaar. Ook in de Kamer, als je
in de Kamer zit en je hebt een
portefeuille Integratie,
Immigratie, dan ben je ook
druk. En op een gegeven moment
ben je dan geen
minister meer.
Is dat een zwart gat? Nee, helemaal
niet. Van de ene dag naar de
andere vond ik het prima.
Alleen, ik ben ook doorgegaan
met werken. Ik was
50% van de tijd financieel
toezichthouder op
Caribisch Nederland. En ik was,
50% van de tijd was ik
voorzitter van de
ouderenzorg in Nederland. Ik
was voorzitter van de
Ziekenhuisgroep Twente, en
commissaris bij een
industrieel
bedrijf. Dus ik ben wel
doorgegaan met werken. Maar
die optelsom van die
functies was veel minder dan dat als
je minister bent. En toen ik
70 werd, ik ben nu
73, ben ik daarmee opgehouden,
met die dingen. Maar toen moest ik
weer vier maanden invallen op
Defensie. En als je dat
doet, dan moet je alle andere
functies afstoten.
En ik had mijn vrouw beloofd
dat ik niet weer opnieuw in de
politiek zou gaan.
Maar als je dan vier maanden
naar Defensie gaat, moet je al
die andere functies opgeven.
En die vier maanden, dat
beëindigt, die lopen op hun eind.
Maar dan heb je in één keer
helemaal je agenda vrij.
En dat heb ik van de ene dag
op de andere dag meegemaakt. Dat
is me uitstekend bevallen. En
ik heb niets van
een zwart gat meegemaakt. Helemaal
niet. En hoe volg je dan
daarna de ontwikkelingen in de
landelijke politiek?
Vanaf dat ik een jaar of
acht, negen was, las ik al
kranten, volgde
ik het nieuws. En ik was
geabonneerd toen
ik tien, negen of tien was, op
een, één van de
weekbladen die er waren.
'Accent' heette dat toen
destijds. Was voor
jouw tijd, voor jullie tijd. Maar ik
las ook Newsweek, een
Amerikaanse blad. Ik was heel
erg gericht
op nieuws en op politiek, en
dat is nu nog
steeds zo het geval. Dus ik
volg allemaal wat er gebeurt.
En ik bemoei me binnen de VVD, intern,
ook nog met dingetjes. Dus
het is toch niet helemaal
voorbij. Ja,
maar heel, heel anders. Je
draagt zelf geen
verantwoordelijkheid meer. En
het is, in
tijdsbeslag is het ook heel
veel minder.
Veel vrijblijvender en veel
ondersteunender
en… Nou ja, zo
is het momenteel.
En er is nu opnieuw een
formatie gaande, dus
ergens in het voorjaar is het
waarschijnlijk dat er een
nieuwe ploeg van ministers
op het bordes zal staan. Wat
zou u hun willen
meegeven? De dingen die ik net
heb besproken. En ik heb er
moeite mee om ze te herhalen, maar ik
zou zeggen van… Luister naar
ambtenaren, zei u. Politieke
assistent. Probeer je
thuis te blijven gedragen
zoveel als dat
mogelijk is. Zorg dat je een
goede politieke
assistent hebt. Zorg dat je een
vertrouwensrelatie met je
ambtenaren hebt, en
zorg dat je ook bijdraagt aan
een collegiale sfeer in
de ministerraad. Het is heel
belangrijk om moeilijke
besluiten te nemen. Dat je
je gezamenlijk
verantwoordelijk voelt. Dat je
begrijpt dat je moet geven en
moet nemen en dat je
langetermijnverantwoordelijkheid hebt.
Over die lange termijn
misschien nog een laatste punt. De,
als je in de politiek actief
bent, dan wordt je heel
erg door de dagelijkse dingen
in beslag genomen,
terwijl nog belangrijker is:
lange termijn.
Hoe gaat het op lange termijn met
de elektriciteitsvoorziening,
met energie, met onze
veiligheid? Hoe gaat het met de
infrastructuur? En dat zijn
allemaal dingen waar je niet
gemakkelijk naartoe getrokken
wordt en dingen die ook erg
populair zijn. Maar het zijn
wel hele belangrijke dingen. En
als je erin slaagt om dat de
aandacht te geven die nodig is,
dan ben je een heel stuk op
weg om een goede
bewindspersoon te
worden. En zijn dat dingen die
ook in een
regeerakkoord een plek zouden
moeten krijgen, of is dat meer iets
waar je zelf qua
mindset op
gericht moet zijn? Het zou heel mooi
zijn als je een regeerakkoord hebt waar
behalve de
dingen die nu door iedereen
als een probleem worden
ervaren, ook de dingen die
voor de lange termijn
belangrijk
zijn, dat die daarin een plaats
krijgen. En dat je daar goede
afspraken over kunt maken. En
dat je dus zowel in
het kabinet, in de coalitie,
alsook in de omgang met de
Tweede en de Eerste Kamer, je
resultaten kunt bereiken.
En als een regeerakkoord
daarbij, een regeerakkoord kan
daarbij helpen. Ik denk dat het
nu belangrijk is om, én een
goede coalitie te smeden,
én een goed regeerakkoord te
hebben. Een
goed regeerakkoord betekent
niet automatisch dat je 40
pagina's volpent. Het kan ook
veel minder. Als
er maar een heldere koers
wordt uitgezet. En
als er dan een goede
bewindspersonenploeg
onder zit die elkaar vertrouwt
en er samen wat van wil
maken, en ook effectief kan
zijn in het, in de
samenwerking
met Tweede en Eerste Kamer,
dan kun je dingen bereiken.
Ik denk dat we er zo zijn.
Dank voor de
tijd en de aandacht en de
openheid voor de antwoorden.
Henk Kamp.
Graag gedaan, Erik-Jan, graag
gedaan, Caspar, en veel succes
met jullie
Beluister het interview als podcast
Dat kan via Spotify en Apple Podcasts.
Bekijk de videofragmenten
Achtergrond
Opleiding
1977 – 1980: Controleursopleiding, Opleidingscentrum Belastingdienst, Utrecht
Loopbaan
1986 – 1994: Wethouder Borculo, lid Provinciale Staten van Gelderland
1994 – 2002: Lid Tweede Kamer
2002 – 2003: Minister van VROM
2002 – 2007: Minister van Defensie
2006 – 2008: Lid Tweede Kamer
2009 – 2010: Commissaris voor Bonaire, Sint-Eustatius en Saba
2010 – 2012: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
2012 – 2017: Minister van Economische Zaken
2018 – 2021: Voorzitter bestuur ActiZ
2021 – 2022: Minister van Defensie
Henk Kamp (1952) heeft verschillende ministersposten bekleed. Hij was van 24 september 2021-10 januari 2022 minister van Defensie in het demissionaire kabinet-Rutte III. Eerder was hij in het kabinet-Balkenende I minister van VROM. Hij werd later in dat kabinet ook minister van Defensie, een ministerschap dat hij ook voortzette in het kabinet-Balkenende II. Na twee jaar Kamerlidmaatschap en een bestuurlijke functie op de Antillen keerde hij in 2010 terug als minister van Sociale Zaken in het kabinet-Rutte I. In het kabinet-Rutte II werd hij minister van Economische Zaken. Henk Kamp begon zijn loopbaan als fiscaal rechercheur en wethouder van Borculo, waarna hij Kamerlid werd voor de VVD.
Bron: PDC







