
Je moet een
basisdeskundigheid hebben. Je
moet weten hoe
die overheid in elkaar zit.
De verschillende beleidsvelden
moet je
zien en daar
basisinformatie over hebben,
ideeën over hebben. Daar
begint het mee.
Over hoe het veld eruitziet.
Maar vervolgens kom je op
een ministerie, heb je met
een deel van de overheid te
maken. En daar zit je
iedere dag tussen mensen in
die daar allemaal verstand
van hebben. En als er maar één
ding is waarvan je denkt van:
daar weet ik even niet genoeg van,
dan komen er mensen op jouw
kamer en daar praat je mee, en
die leggen jou dat uit. En ze hebben, ze
schrijven nota's
die je leest. Je
hebt zowel op
papier als in de contacten,
een-op-een contacten
met ambtenaren, heb je
iedere dag de mogelijkheden om
kennis te vergaren en kennis
aan te vullen. Hoe deed u
dat? Want die achterbak
van de auto zit dan vol met
stukken, tassen vol met
stukken. Is het vooral dat,
het lezen,
of is het praten met? Het is
praten met,
maar je kunt… Kijk, 's
nachts kun je niet gaan
praten met, en in het weekend
is het ook niet zo prettig
als je ambtenaren gaat bellen
om te praten.
Dus je moet
ook veel lezen. En bovendien
is het zo dat,
wat je aangeboden krijgt
als minister, dat zijn geen
prutstukken. Dat zijn mensen
met verstand
van zaken die erover nagedacht
hebben, met elkaar erover
gepraat hebben. Het is
nog een keer hun chef en de
directeur-generaal en de
secretaris-generaal
gepasseerd. En dan komt het
Dus je krijgt alleen maar
waardevolle
stukken. En ik vind dat je
verplicht bent om die ook
allemaal te lezen, tot je te
nemen, en op
grond daarvan
je werk te doen. En dat
varieert nogal eens. Zeker
in het verleden, begreep ik.
niet iedereen las dat,
ging daar,
vind ik, op een gepaste
manier mee om. Moet
je een dossiervreter zijn
om een effectieve minister te
zijn? Ik denk het wel, maar
er waren ook
bewindspersonen die
geen dossiervreters
waren, maar wel heel goede
bewindspersonen
waren. Ik moest
dat wel zijn om mijn
werk op mijn
manier goed te kunnen doen.