“Ik heb altijd geprobeerd het zo straight en zo transparant mogelijk te doen”

Henk Kamp was maar liefst zes keer minister in zes kabinetten over een periode van twaalf jaar. Hij was verantwoordelijk voor uiteenlopende onderwerpen: van militaire missies tot gasboringen in Groningen. Een principiële bestuurder: “Ik heb in 25 jaar nooit gespind of gelekt.” Hij durfde ook impopulaire beslissingen te nemen, bijvoorbeeld bij het afbouwen van de gaswinning in Groningen. “Je bent er voor het algemeen belang.” Op zo'n invloedrijke positie is je verantwoordelijkheid groot, benadrukt hij: “Daar moet je je best voor doen.”

Toen Kamp in 2002 op zijn vijftigste voor het eerst minister werd, had hij al een lange politieke carrière achter de rug. Als raadslid en wethouder in Borculo, statenlid in Gelderland en Tweede Kamerlid had hij de nodige ervaring opgedaan. Als kersverse minister van VROM had hij daar direct profijt van, vertelt hij. “Ik had bestuurlijk zelfvertrouwen en wist een beetje hoe de hazen liepen.”

Een volle agenda

Als minister had hij direct een volle agenda. Vanaf de eerste dag dat je op een ministerie komt, word je naar dossiers toegetrokken en op sporen gezet. Er speelt van alles en jij moet van alles iets vinden.” Daarnaast was er de ministerraad en Kamp verdiepte zich ook in de onderwerpen van andere bewindspersonen. “De ministerraad was op vrijdag, op donderdagavond was het bewindspersonenoverleg. Dus donderdagnacht las ik de stukken.” Een half jaar lang combineerde hij het ministerschap van VROM bovendien met dat van Defensie. “’s Morgens zat ik op VROM en ’s middags op Defensie. Dat was een enerverende tijd.”

Hard werken bleef onderdeel van het ministerschap. Er bleef weinig tijd over voor andere dingen. “Ik sliep in die jaren vier uur per nacht. In het weekend ga je naar huis, maar dan zijn er zo veel dingen die je moet lezen. Bovendien moet je als je naar het buitenland gaat, vaak op zondag al weg.” Zo’n vol werkschema en die grote verantwoordelijkheid hebben z’n weerslag op de directe omgeving. “Mijn vrouw en ik zijn 55 jaar bij elkaar. Dat het met onze kinderen geweldig gaat, is aan haar te danken.” Het was een drukke, zware tijd, maar toch zag Kamp dat niet als problematisch. “Je werkt voor het algemeen belang en dat is heel mooi. Als ik vervelend werk had gehad, had ik dat nooit in dat tempo kunnen volhouden. Maar ik had juist heel mooi, uitdagend werk wat ik graag wilde doen en wat de invulling van mijn leven is geweest. Ik heb dat nooit als een grote last ervaren.”

Respect voor ambtenaren

Kamp heeft veel respect voor ambtenaren, vertelt hij. “Ik weet op basis van mijn ervaring hoe belangrijk die ambtelijke laag is in het bestuur van ons land.” De secretaris-generaal van VROM in zijn tijd was Marjanne Sint, voormalig voorzitter van de PvdA. Hij heeft goede herinneringen aan die samenwerking:Ze probeerde mij niet vanuit haar politieke achtergrond een kant op te duwen. Ze wilde gewoon dat ik mijn werk goed deed en dat het ministerie goed voor mij werkte.” Die ervaring zette zich voort bij de andere departementen waar hij minister was: “De kwaliteit en goedwillendheid van onze ambtenaren, de gerichtheid op de mensen die politieke verantwoordelijkheid dragen; ik heb dat ervaren als één van de mooiste dingen van mijn werk, om met hen samen te werken.”

Een goede omgang met ambtenaren vraagt ook wat van bestuurders, stelt hij. “Het belangrijkste is dat je hun positie snapt.” Hij ziet dat in de bestuurlijke praktijk regelmatig misgaan: “Je merkt bij onervaren bestuurders de neiging om een advies dat niet in lijn is met wat ze als minister, staatssecretaris, wethouder of gedeputeerde willen, een beetje veranderd willen hebben. Zodat ze uiteindelijk conform het advies kunnen besluiten. Dat vind ik echt een dodelijke fout.” Hij wijt dat deels aan gemakzucht; door op die manier te besluiten, proberen ze vragen en problemen te voorkomen.

"Je moet je nooit achter ambtenaren verschuilen; ze werken voor jou en doen hun best"

Kamp vindt dat bewindspersonen de deskundigheid van ambtenaren serieus moeten nemen en met hen in gesprek moeten gaan. “Natuurlijk is er het regeerakkoord, daar zijn ambtenaren op ingesteld. ‘Wat staat er voor ons ministerie in het regeerakkoord? En hoe moeten we dat vormgeven?’ Als minister heb je ook je eigen dingen: ‘Dat moet volgens mij gebeuren en daar moeten we mee aan de gang’. Dat is het begin. Vervolgens moeten zij zich ook prettig voelen bij alle besluiten die je neemt, omdat ze het moeten uitwerken, opschrijven, uitvoeren en uitdragen bij de andere betrokken ministeries en de media. Het is dus belangrijk om dat op een constructieve, positieve manier met hen te doen.”

De bestuurder blijft voor Kamp altijd verantwoordelijk. “Je moet je nooit achter ambtenaren verschuilen. Ze werken voor jou en doen hun best. Jij bent degene die het besluit neemt.” Ambtenaren worden in een hopeloze positie gebracht als ze zich moeten verdedigen in de media of de Tweede Kamer, vindt hij. “Jij moet wat er gebeurt verdedigen: als er wat fout gaat op een ministerie is dat jouw schuld. Dan krijg je in de beslotenheid (van het ministerie, red.) de gelegenheid daarop te reageren. Maar naar buiten toe ben jij het die de fout heeft gemaakt. Dan leg je uit hoe dat gegaan is, vertel je dat het je spijt en hoe je gaat proberen het te corrigeren.”

Deskundig en integer

Wat is er volgens Kamp nodig om een goed bestuurder te zijn? Hij legt uit: “Kijk, je moet als bestuurder deskundig en integer zijn, en je moet hard werken. Maar dat wil niet zeggen dat je alles honderd procent goed moet doen. Je moet je best doen, maar er kan ook weleens wat misgaan. Dat mag dan ook blijken.” Daar toont zich zijn ‘bestuurlijk zelfvertrouwen’. “Ik heb me in de relatie met journalisten altijd gerealiseerd dat ik uiteindelijk verantwoording schuldig ben aan de mensen in het land. Hen bereik je via de media die dus goed geïnformeerd moeten worden en hun vragen beantwoord krijgen.” Hij licht de drie genoemde kenmerken van een goed bestuurder verder toe. “Zonder deskundigheid kan je het wel schudden. Zonder geloofwaardig verhaal is het gauw met je afgelopen.” Integriteit is voor hem een basis voor iedereen die in het openbaar bestuur werkt. “Je kunt je alleen maar geloofwaardig verantwoorden als je integer bent. Zodra je bezig bent om jezelf, je relaties of je eigen groep te bevoordelen, is het mis.”

"Zowel op papier als in het contact met ambtenaren heb je iedere dag de mogelijkheden om kennis te vergaren en aan te vullen"

Dossiervreter

Kamp bestierde in zijn loopbaan vier verschillende ministeries. Hoe bouwde hij daarvoor de deskundigheid op? Het begint met een basisdeskundigheid, vertelt hij. “Je moet de verschillende beleidsvelden zien, en daar basisinformatie en ideeën over hebben.” Je hoeft dus niet direct een expert te zijn wanneer je begint als bewindspersoon, je kunt dat ontwikkelen. “Zowel op papier als in het contact met ambtenaren heb je iedere dag de mogelijkheden om kennis te vergaren en aan te vullen.” Het lezen van stukken is essentieel, vertelt hij, zeker wanneer een bewindspersoon ’s nachts en in het weekend aan het werk is, en er geen ambtenaren beschikbaar zijn. Op die stukken kun je vertrouwen, is zijn ervaring. “Die komen van mensen met verstand van zaken die erover nagedacht en met elkaar over gepraat hebben. Bovendien is het nog een keer hun chef, de directeur-generaal en de secretaris-generaal gepasseerd. Je krijgt alleen maar waardevolle stukken.” Kamp typeert zichzelf als dossiervreter: Ik moest dat wel zijn om mijn werk op mijn manier goed te kunnen doen.”

Zo transparant mogelijk

Kamp staat bekend als duidelijk, helder en consistent. Zijn bestuursstijl komt voort uit ervaring en karakter. “Voor een deel uit je ervaring die je van jongs af aan hebt opgedaan. Voor een deel vanuit de omgeving waarin je werkt, en je leert van anderen. Dat vormt je.” De andere kant hangt samen met karakter. Hij noemt een voorbeeld: “Ik heb bijna 25 jaar meegedraaid in Den Haag en nooit gelekt of gespind.” Hij is liever recht door zee. “Als ik wil dat er iets naar buiten komt, breng ik het gewoon naar buiten. Spinnen is dat je probeert je eigen verhaal in de media te krijgen, vaak ten koste van andere verhalen en personen. Dat bevalt me niet. Dus ik heb dat altijd weg van me gehouden.”

"Ik heb bijna 25 jaar meegedraaid in Den Haag en nooit gelekt of gespind"

Transparantie was een belangrijke pijler in zijn handelen. “Ik heb me ook altijd gerealiseerd dat alles wat je doet op een ministerie inzichtelijk moet zijn. Niet alleen voor je eigen ambtenaren, maar ook voor de minister van Financiën en diens ambtenaren Zij moeten weten wat er op jouw ministerie speelt om hun werk goed te kunnen doen. Ik vind ook dat je voor de pers zoveel mogelijk transparant moet zijn.” ‘Zoveel mogelijk’ gaat voor hem heel ver, vertelt hij. “In de Kamer verdient iedere vraag een antwoord. En niet een antwoord waarbij ik stukken van een ambtenaar voorlees, maar een antwoord van iemand die een besluit heeft genomen en daar verantwoording over aflegt. Ik heb altijd geprobeerd het zo straight en zo transparant mogelijk te doen.”

Het vasthouden aan zijn principes kostte hem weinig moeite. “Misschien was het zelfs moeilijker geweest als ik het anders had gedaan. Je draagt een grote verantwoordelijkheid als bewindspersoon en je moet je gepast en netjes gedragen. Dat heb ik geprobeerd te doen.”

Geen populair verhaal

Als minister moest Kamp ook impopulaire besluiten nemen, bijvoorbeeld tijdens zijn periode als minister van Economische Zaken (van 2012 tot 2017) over het Groningse gas. “Je kunt niet van de ene op de andere dag zeggen: ‘We stoppen met die aardgaswinning’, want dan ligt het hele land plat. Omdat er dan geen gas als energie is, voor verwarming en om op te koken.”

Hij wilde zorgen dat de leveringszekerheid van aardgas overeind bleef en tegelijkertijd de aardgaswinning verminderd werd. Geen populair verhaal, vertelt hij. “Het populaire verhaal is dat de mensen in Groningen alleen maar ellende hebben gehad. Ze hebben onzekerheid over hun huis en over hun regio die beschadigd wordt door die aardgaswinning. Dus die moest óf stilgelegd of heel erg verminderd worden. De manier waarop ik het deed, ging niet snel genoeg en de besluiten die ik nam, waren niet populair. Maar goed, ik moest ze wel nemen. Ik heb ze ook verdedigd in de Tweede Kamer en ze zijn steeds geaccordeerd.”

Hij realiseerde zich terdege hoe hoog de emoties in Groningen opliepen. “Vanaf dag één. Als je minister bent, ga je het gebied in en praat je met bestuurders. Maar ik heb ook grote bijeenkomsten met mensen uit het gebied gehad. Er waren mensen die heel indringend op me afkwamen…” Hij kon zich die gevoelens voorstellen. Op het punt van de aardgaswinning waren de voordelen voor alle Nederlanders en de nadelen vooral voor de inwoners van de provincie Groningen. “Ik was me daar zeer van bewust.”

Regels zijn belangrijk

In het huidige politieke landschap is een negatieve kijk op regels gebruikelijk. ‘Het zijn er te veel en Nederland is dichtgeregeld’, is een vaak gehoord mantra. Kamp is het niet eens met deze eenzijdig negatieve kijk. Regels zijn belangrijk voor de overheid, stelt hij. “In een dichtbevolkt, welvarend land met veel belangen moet je dingen in goede banen leiden op een eerlijke en transparante manier. Dáár zijn regels voor.” Regels liggen dan ook aan de basis van goed bestuur en de welvaart van het land. “Niemand maakt zich zorgen over de stroom die in huis komt. Of over de riolering, het water, als je een ambulance nodig hebt of de brandweer. Er is van alles en nog wat geregeld, en daar profiteer je iedere dag van.” Tegelijkertijd ziet hij de problematische kant van regels, maar relativeert die ook. “Natuurlijk is het moeilijk om regels te schrappen die eigenlijk niet meer van belang zijn. Daar zijn mensen op ministeries niet in de eerste plaats mee bezig. Zij kijken steeds vooruit naar de dingen die moeten gebeuren. Op dat punt is zeker wat te winnen. Ook zijn we op onderdelen doorgeschoten, zeker in regeldichtheid. Toch is de standaard negatieve benadering van regels niet terecht, is mijn overtuiging.”

Je eigen functioneren makkelijk maken

Kamp geeft zijn tips voor nieuwe kabinetsleden: “Zorg ervoor dat je een goede samenwerking met de ambtenaren hebt. Want dan maak je je eigen functioneren veel gemakkelijker. En zorg voor een goede politiek assistent. Je wordt erg geholpen als je er een hebt die ook geloofwaardig is voor Kamerleden. Ook dat maakt je werk gemakkelijker.”

Voor de inhoudelijke advisering zijn er de beleidsambtenaren. “Dat zijn je gesprekspartners, hetzelfde geldt voor de directeur-generaal. Verder had ik zo’n vier keer per week intensief contact met de secretaris-generaal, op Defensie was dat iedere dag. Daar begon ik iedere dag om negen uur met de ambtelijke en militaire top, samen met de staatssecretaris en de directeur Voorlichting.” Bij Economische Zaken had hij ook regelmatig contact met het veld. Met de ondernemers en hun organisaties, en met de vakbonden. Direct contact met de wetenschap had hij incidenteel. “Hun input kreeg ik in de regel in de vorm van rapporten en via de ambtenaren, die wel intensief contact hadden.”

Advisering vanuit de partij loopt op een andere manier: “Iedere donderdagavond heb je het bewindspersonenoverleg, het BPO. Daar zitten de eigen ministers en staatssecretarissen bij, maar ook de partijleiding, de fractievoorzitters van de Eerste en Tweede Kamer en het Europees Parlement. Verder zijn er de mensen in de partij die deskundig zijn op bepaalde onderwerpen. Tijdens het BPO wordt globaal de agenda van de ministerraad op vrijdagochtend doorgenomen en komt de politieke actualiteit aan de orde.”

"Bewindspersonen worden sterk gevoed door hun ministerie, vooral op de onderwerpen die dat ministerie aangaan"

‘Daar moet je je best voor doen’

Het deel uitmaken van de ministerraad ervaarde Kamp als de grootste verantwoordelijkheid als minister. “Ik zat daar niet alleen om over mijn eigen portefeuille te praten, als minister moet je ook participeren in allerlei andere besluiten. Als je je daar niet op voorbereidt, maak je je verantwoordelijkheid niet waar.” Kamp is duidelijk: hij vindt dat bewindspersonen goed op de hoogte moeten zijn van onderwerpen buiten de eigen portefeuille waarover beslissingen worden genomen. “Omdat je op zo'n invloedrijke positie zit, is je verantwoordelijkheid groot, daar moet je je best voor doen.”

Naast de ministerraad zijn er de onderraden. Kamp legt uit: “Dat zijn groepjes bewindspersonen die met een bepaald beleidsveld bezig zijn. Belangrijke punten worden via zo’n onderraad ingebracht. Vervolgens komt het in de ministerraad.” Dat verloopt niet altijd even goed, vindt hij. “Bewindspersonen worden sterk gevoed door hun ministerie, vooral op de onderwerpen die dat ministerie aangaan.” Voeding op wat er bij de andere departementen speelde, kreeg hij daar echter weinig. “Dat komt op de bewindspersoon zelf neer. Niet iedereen heeft daar de tijd en de aandacht voor. Ik denk dat de ministerraad sterk leunt op de portefeuillehouders, de minister van Financiën en de minister-president. Dat zou wel anders kunnen.”

De minister-presidenten uit zijn tijd, Balkenende en Rutte, bereidden zich met hun staf goed voor op de ministerraad, vertelt Kamp. “Bij het ministerie van Algemene Zaken zitten raadadviseurs die voor één of twee ministeries verantwoordelijk zijn en die ministeries goed in de gaten houden. Zo komt er veel informatie bij de minister-president terecht. Als die eenmaal een standpunt innam, moest je van goeden huize komen om daar in de ministerraad nog wat aan te doen. Het was daarom van belang dat je je op basis van kennis en inzicht met onderwerpen bemoeide.” Voorafgaand aan de ministerraad is er al veel voorbereid en afgestemd. Maar dat betekent niet dat alles alleen maar wordt afgetikt. “Als je met kracht argumenten inbrengt, kan dat niet zomaar genegeerd worden. Je kan je standpunt verdedigen en toelichten, en dan kun je er ook wat mee bereiken.”

Het politieke vakwerk

Als bewindspersoon ben je verantwoordelijk voor alle besluiten die genomen worden, maar heb je ook je eigen departement en portefeuille. Bovendien krijg je te maken met departementale en politieke verschillen. Hoe kom je in die complexiteit tot resultaten? Kamp noemt vier formele stappen: “Je kan rechtstreeks met collega-bewindspersonen praten, dat gebeurt intensief. Dan heb je de onderraden waarin je wat kunt doen, daarna het BPO en vervolgens is er nog de ministerraad. Je moet op die vier niveaus in gesprek: heeft die ander niet gelijk? Of is er een compromis mogelijk? Of is dit punt voor ons zo belangrijk dat we het vast moeten houden? Dat is het politieke vakwerk dat verricht moet worden.”

In de minsterraad zijn er voortdurend meningsverschillen tussen ministers, omdat ieder ministerie een eigen verantwoordelijkheid en invalshoek heeft, vertelt Kamp. “Dat is normaal. Daarnaast is er een sterk bewustzijn van de collectieve verantwoordelijkheid dat je er samen uit moet komen. Als dat niet het geval is, heeft zo'n kabinet geen lang leven. Die spanning is er wel op politiek en ambtelijk niveau, maar dat speelt zich af in een omgeving van bewustzijn van collectieve verantwoordelijkheid. Weten dat je moet geven en nemen.”

Dat een kabinet de rit niet gaat uitzitten, zie je niet direct in de ministerraad aankomen, vertelt Kamp. Wel in de relatie met de Kamer. “En soms word je heel bot voor voldongen feiten gesteld. Bijvoorbeeld tijdens het gedoogkabinet met Wilders, toen die op een gegeven moment zei: ‘Ik stap eruit.’” Onderhuidse spanningen kunnen ook een rol spelen. Dat zag hij bijvoorbeeld van een afstand ontstaan rond de onderwerpen immigratie en arbeidsmigratie tijdens Rutte IV. “Dat gaf spanningen, met name bij de VVD in de coalitie. Ze kregen geen steun van de Kamer op de punten die we als partij belangrijk vonden. En ook in de ministerraad kwamen ze er niet verder mee. Dat is dan ook de val van Rutte III geweest.”

Het hoort erbij

Ondanks het plezier en de uitdagingen van het vak kleven er ook nadelen aan het ministerschap. “Dat je je thuis niet kunt gedragen zoals dat moet, vind ik een grote schaduwkant. En de fysieke belasting; het groot aantal uren dat je permanent moet maken. Ik kon het allemaal opbrengen, maar het is ook een forse opgave.” Iets dat er ook bij hoort, ziet hij. “Je werkt in een erg kritische omgeving en je verantwoordelijkheid is groot. Ik denk dat het lastig is om alles heel prettig te maken voor een bewindspersoon.” Al is een aantal zaken altijd goed geregeld, ervaarde hij. “Je hebt nooit zorgen over de logistiek of ambtelijke ondersteuning, dat is altijd goed voor elkaar.”

De ontwikkelingen in de landelijke politiek volgt hij nog altijd: “Vanaf dat ik een jaar of acht was, las ik al kranten. Ik was erg gericht op nieuws en politiek, en dat is nog steeds zo. Ik volg het allemaal en bemoei me binnen de VVD nog met wat dingen. Wel veel vrijblijvender, meer ondersteunend.”

"Zorg dat je bijdraagt aan een collegiale sfeer in de ministerraad, dat je je gezamenlijk verantwoordelijk voelt"

Geven en nemen

Wat wil hij nieuwe ministers naast zijn eerdere tips nog meegeven? “Zorg dat je een goede politiek assistent hebt en een vertrouwensrelatie met je ambtenaren. En zorg dat je bijdraagt aan een collegiale sfeer in de ministerraad, dat je je gezamenlijk verantwoordelijk voelt. Dat je begrijpt dat je moet geven en nemen, en dat je een langetermijnverantwoordelijkheid hebt. Als je in de politiek actief bent, word je door de dagelijkse dingen in beslag genomen, terwijl nog belangrijker is: hoe gaat het op de lange termijn met bijvoorbeeld de elektriciteitsvoorziening, energie, onze veiligheid en infrastructuur? Allemaal dingen waar je niet gemakkelijk naartoe wordt getrokken en die ook niet erg populair zijn, maar die wel heel belangrijk zijn. Als je erin slaagt om dat de aandacht te geven die nodig is, dan ben je al een heel stuk op weg om een goede bewindspersoon te worden.”