In de interviews voor Top kijkt om komt een aantal lessen voor bestuurders telkens terug. Eén daarvan is het belang van tempo maken. Voormalige bewindspersonen Sander Dekker en Stef Blok benadrukken beiden hoe essentieel snelheid, focus en uitvoeringskracht zijn binnen het openbaar bestuur. 

Dekker vertelt dat hij bij de start van zijn periode als staatssecretaris een duidelijke boodschap meekreeg van Mark Rutte en Halbe Zijlstra: ga snel van start. Wetgevingstrajecten hebben lange doorlooptijden en een kabinetsperiode is vaak korter dan gedacht. Wie vandaag begint, mag blij zijn als een wet nog binnen dezelfde bestuursperiode wordt aangenomen. Volgens Dekker vraagt dat om scherpe keuzes: wat zijn de twee of drie belangrijkste resultaten die je wilt realiseren? Focus aanbrengen en vaart maken horen daarbij onlosmakelijk samen. 

Ook Blok benadrukt in zijn interview het belang van snelheid aan het begin van een kabinetsperiode. Een belangrijke les kreeg hij van Hans Hoogervorst: “Tempo maken. Veel tempo maken.” Juist aan het begin van een coalitie is er ruimte om moeilijke besluiten te nemen. Later verschuift de aandacht steeds meer richting verkiezingen en neemt de bestuurlijke ruimte vaak af. 

Tempo maken is niet haastig handelen 

Tegelijkertijd maken beide oud-bewindspersonen duidelijk dat tempo niet hetzelfde is als haastig handelen. Het vraagt om bestuurlijk vakmanschap: prioriteiten stellen, processen organiseren en effectief samenwerken met het ambtelijk apparaat. Blok spreekt daarbij met waardering over de inzet van Nederlandse ambtenaren, die volgens hem bereid zijn ver te gaan om maatschappelijke opgaven mogelijk te maken. 

Meer weten?  

De top kijkt om  

Voor De top kijkt om worden oud-ministers en oud-topambtenaren bevraagd over hun ervaringen. Houd de LinkedIn-pagina van Kennis van de Overheid in de gaten voor de publicatie van nieuwe gesprekken.   

De top kijkt om is een initiatief van het programma Kennis van de overheid (ministerie van BZK). Het project heeft vorm gekregen in nauwe samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen, de Universiteit Utrecht en het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis van de Radboud Universiteit.