“Het mooiste compliment achteraf: ‘Ik had eindelijk het gevoel dat ik werd gehoord.’”
Sander Dekker was van 2006 tot 2012 wethouder voor de gemeente Den Haag. Hij bleef in die stad, maar dan als bestuurder op landelijk niveau. In 2012 werd hij staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in het kabinet-Rutte II, en in 2017 minister voor Rechtsbescherming, kabinet-Rutte III. Voorop stond dat hij zijn intenties als bestuurder op een zuivere manier wilde overbrengen. Dat hielp hem in het contact met mensen en in het werk zelf. “Het mooiste compliment dat je achteraf kan krijgen is: ‘Ik had eindelijk het gevoel dat ik werd gehoord.’”
Het telefoontje met de vraag of hij staatssecretaris wilde worden, kwam al snel nadat de formatie van het kabinet-Rutte II was begonnen. “Mark Rutte belde en ik denk dat ik binnen 24 uur ‘ja’ of ‘nee’ moest zeggen. Het was een grote verrassing door twee dingen. Een jaar daarvoor was ik gevraagd voor de lijst voor de Tweede Kamer. Ik was toen net wethouder van Financiën in Den Haag. Ik was bijzonder vereerd, maar dacht ook: ik heb een begroting liggen met rigoureuze bezuinigingen op het gemeentebudget. Dit is niet het moment om te zeggen: ik maak de overstap naar de andere kant.”
De tweede reden had te maken met een bezoek aan het torentje. “Kort na die vraag over de Tweede Kamerlijst mocht ik voor het eerst in het torentje komen - Mark was minister-president van zijn eerste kabinet. Ik heb toen een behoorlijke aanvaring met hem gehad. Dat had te maken met een VNG-akkoord dat gesloten was. Een deel van de rijksbezuinigingen moest worden afgewenteld op de gemeente. Annemarie Jorritsma was toen voorzitter van de VNG en had een soort deal gemaakt met het Rijk, maar die dreigde te sneuvelen op het congres van de VNG.”
Klappende deur
Dekker vond de uitnodiging geweldig, maar was ook op z’n hoede. “Mark en ik kenden elkaar al uit de campagne, dus het begon amicaal. Toen kwam de vraag: ‘Kan de gemeente Den Haag niet voor dat VNG-akkoord stemmen?’ Ik zei: ‘Dat ligt erg ingewikkeld, ik denk niet dat we dat gaan doen.’ Toen werd het wat norser en na tien minuten stond ik buiten met een klappende deur achter me. Ik dacht: dit was een leuke politieke carrière die hier meteen ophoudt.”
Uiteindelijk bleek de impact van de aanvaring mee te vallen. “Je kan met Mark een enorme botsing hebben, maar hij maakt het ook altijd onmiddellijk weer goed.” Toch had hij de vraag van Rutte na hun botsing en het ‘nee’ zeggen tegen een mooie plek op de lijst niet zien aankomen. “Daarom verraste dat telefoontje mij. Maar ik vond het superleuk en het was een portefeuille waarvan ik dacht: die is op mijn lijf geschreven.” Dekker werd in 2012 staatssecretaris van OCW, met media en onderwijs in zijn portefeuille.
Een paradigmaverandering
Er veranderde veel met zijn overstap van het Haagse gemeentebestuur naar het kabinet. Het eerste inzicht diende zich al aan voordat Dekker op het ministerie aankwam voor een kopje koffie met formateur Mark Rutte. “Ik schrok van de hoeveelheid journalisten die aan de hekken stond en maakte een grapje.” Terug op het Haagse stadhuis zag hij dat hij op Teletekst letterlijk werd geciteerd en realiseerde zich dat hij in een andere wereld terecht was gekomen. “Voor die tijd moest ik hard werken om ín de media te komen. Nu moest ik hard werken om eruit te blijven. Een soort paradigmaverandering.” Hoe veranderde dat inzicht hem? “Ik ben spontaan van aard en kan erg informeel zijn. Daar ben ik voorzichtiger mee geworden.”
"Ik ben blij dat we hoog hebben ingezet, anders waren we nergens gekomen"
Schuring opzoeken
Als je als bewindspersoon zaken wil veranderen is een balans vinden in je communicatie belangrijk, zo ervaarde Dekker in de eerste weken als staatssecretaris bij OCW. Hij wilde af van de zesjescultuur in het onderwijs. “In Nederland hebben we mooi en waardevol onderwijs, maar uit onderzoeken blijkt: excelleren, je kop boven het maaiveld uitsteken, trots zijn; het past niet altijd bij onze calvinistische volksaard. Dat ging me aan het hart.” Hoe wilde hij daar verandering in brengen? “Door dat te agenderen en soms ook de schuring op te zoeken. Je moet een keer beginnen, anders gebeurt er niets. Tegelijkertijd zie je dat een aantal partijen (in de sector, red.) daardoor ook weer wordt geraakt.”
Een hoge ambitie vindt hij toch belangrijk als bestuurder. “Het benoemen van een probleem, een uitdaging of een kans waarmee je je inzet duidelijk maakt, is een werkwijze waarmee je in ieder geval ergens komt.” De ene keer werkt dat wel, de andere keer niet, ziet hij. “Soms denk ik: oei, dat was misschien in het begin te scherp, waardoor mensen direct de hakken in het zand zetten en er geen beweging meer in kwam. Maar in andere gevallen denk ik: nou, ik ben blij dat we hoog hebben ingezet, anders waren we nergens gekomen.”
Als een conflict zich verhardt
Iets soortgelijks als bij OCW maakte Dekker mee toen hij minister voor Rechtsbescherming was geworden. Zijn boodschap vanuit het regeerakkoord was dat er voor de sociale advocatuur geen extra geld beschikbaar was, terwijl de sector daar wel om had gevraagd. Zijn insteek: “Je kunt goede rechtsbijstand ook op een andere manier organiseren, door het stelsel te hervormen. Daar kwamen we als ministerie en ik als minister al snel head-to-head te staan met de sector.” Hij reflecteert: “Hadden we dat anders kunnen doen door aan de voorkant meer het gesprek aan te gaan, meer aftastend te zijn? Ik weet het niet.” De les die hij leerde: “Als een conflict zich verhardt, komen partijen tegenover elkaar te staan en wordt het een patstelling. Dat werkt niet bij zo’n grote stelselherziening; daar heb je de advocatuur voor nodig.”
Dekker geeft aan dat hij goede verhoudingen met de sector nastreefde. “Je probeert altijd een brug te slaan, door te laten zien dat de intenties goed zijn. Ik was de eerste minister voor Rechtsbescherming. Het woord zegt het al: rechtsbescherming vinden we belangrijk in dit land, en zeker ik als minister.” Hoe communiceerde hij dat? Hij geeft een voorbeeld waarin hij tijdens een congres ‘een zaal woedende sociaal-advocaten’ toesprak. “De kunst was daar om het gesprek aan te gaan, om te laten zien: ik wil ook goede rechtsbijstand voor mensen met een kleine portemonnee, voor kwetsbaren in onze samenleving.”
Ook bij grote wetgevingsvraagstukken zag hij het betrekken van de verschillende spelers als essentieel. “Om een wet te krijgen die uiteindelijk werkt, moet je elkaar aan de voorkant goed leren kennen en samen nadenken over: wat is nou uiteindelijk ons doel? Wat willen we bereiken? Wat zijn onze ankerpunten? En wat wordt ons verhaal naar de Kamer? Dat soort vragen gaf altijd veel richting, want dan weet je met z’n allen - de politieke en ambtelijke kant, de beleidsmakers en de uitvoering - waar je het voor doet.”
"Wat het meeste bijblijft, zijn de crises"
Een explosief rapport
Welk moment blijft hem het meeste bij uit zijn periode als bewindspersoon? Dekker: “Wat het meeste bijblijft, zijn de crises. Dat zijn er een aantal geweest. Bij Onderwijs was het de MH17. Jet Bussemaker en ik zaten toen op OCW en het raakte ons diep, vanwege de vele slachtoffers, onder wie ook kinderen en wetenschappers die op weg waren naar een groot aidscongres. Maar ook de examenfraude, die uiteindelijk heeft geleid tot de sluiting van Ibn Ghaldoun (Islamitische scholengemeenschap in Rotterdam, red.). Dat was in aanloop naar de eindexamens en voelde als een enorme druk. We hebben toen een paar dagen zitten worstelen: ‘Zijn die examens nu geldig of niet?’ Je weet dan: er zitten tienduizenden kinderen thuis te wachten, totdat ze het verlossende woord krijgen.”
In zijn tijd bij Justitie waren er vaker crises, waarvan er voor hem één uitspringt: “Met name de moord op Anne Faber (najaar 2017, red.) en de nasleep daarvan - het rapport over het detentieverloop van Michael P. - zullen me altijd bijblijven. Dat had in al zijn facetten veel impact. Natuurlijk vooral op de familie en nabestaanden. Maar het hield heel Nederland bezig die zomer. Iedere dag stond op de voorpagina van De Telegraaf: ‘Is Anne Faber al gevonden?’ En uiteindelijk was er de schok toen het allerergste nieuws kwam, ik zat toen nog bij OCW. Toen ik minister Rechtsbescherming werd, was duidelijk: dit viel in mijn portefeuille.” Het werd pas politiek in 2019, toen het rapport er lag, vertelt Dekker, en het was een explosief rapport. “Eén van de momenten die de meeste indruk heeft gemaakt, was al ver daarvoor. Toen ik een eerste ontmoeting had met de familie van Anne Faber. Het verdriet, de boosheid en de vragen; dat vergeet je niet meer.”
Menselijkheid laten zien
Op het ministerie heerste de opvatting om een ontmoeting met de familie Faber pas na het onderzoek te laten plaatsvinden. Want welke antwoorden heb je voor die tijd naar de ouders toe? Dekker: “Ik heb toen gezegd: ‘Ik wil het tóch doen.’ Ik dacht: het minste wat ik voor de ouders kan doen, is laten zien dat er aan de andere kant van de tafel iemand zit die bereid is openheid te geven, om het verdriet aan te horen. Als je iets kunt laten zien van de menselijkheid van het instituut, de overheid of het ministerie, dan is het oprecht medeleven tonen. Laten zien dat je er alles aan doet om de onderste steen boven te halen. Ik hoopte iets van mijn intenties over te brengen naar de ouders.”
"Ik had de overtuiging te laten zien dat er een mens aan de andere kant van de tafel zat"
Ondanks de aarzeling van zijn ambtenaren drong hij daarom aan op een ontmoeting. “Ik heb hen geprobeerd uit te leggen waarom ik het belangrijk vond. Dat ik goed begreep dat we geen antwoorden hadden en dat dat risicovol was. Maar dat ik wel de overtuiging had om te laten zien dat er een mens aan de andere kant van de tafel zat die zich kon verplaatsen. Hoewel dat natuurlijk nooit helemaal kan.”
Dit soort ontmoetingen vond hij waardevol, met name in zijn tijd bij Justitie. “Het hielp me om te begrijpen waar de pijn van mensen zit. En het hielp me ook in mijn werk. Dat ik het gevoel had dat de mensen voor wie je het doet begrepen dat er aan de andere kant van de tafel iemand zat die zijn best deed, met de juiste intenties. Ik had veel zaken in mijn portefeuille waar slachtoffers bij betrokken waren. Soms met recente pijn, soms van langer geleden, bijvoorbeeld door geweld in de Jeugdzorg in de jaren 50 tot en met 70.”
De gesprekken met deze slachtoffers hielpen hem ook de juiste woorden te vinden toen hij samen met minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge publiekelijk excuses aanbood namens de Staat. “Het mooiste compliment dat je dan achteraf kan krijgen is: ‘Ik had eindelijk het gevoel dat ik werd gehoord.’ Toen dacht ik: dat is het minste wat je als overheid of minister op zo'n moment kunt betekenen.”
Een spannende periode
De rapporten van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) en de Inspectie Justitie en Veiligheid over veiligheid in de forensische zorg en het detentieverloop van Michael P. kwamen uit in 2019. Dat was een spannende periode, vertelt Dekker. “Pas vlak van tevoren krijg je te horen wat er in zo'n rapport staat. We hadden zelf de indruk: dit wordt een vervelend, heftig rapport waarin de fouten worden blootgelegd. Op een gegeven moment ging het gerucht: dit wordt het Mali-rapport voor Justitie. Iedereen schoot in de kramp, want om het Mali-rapport van Defensie was een minister afgetreden. Dat legde een enorme spanning en beladenheid op de politiek-ambtelijke verhoudingen.”
Dat bleek eens en temeer toen zijn politiek assistent naar hem toe kwam: “‘Sander, weet jij dat er in de top van dit ministerie wordt nagedacht over de scenario's dat jij moet aftreden?’ Ik antwoordde: ‘Joh, wat interessant! Wanneer zouden ze dat met mij bespreken?’ Ik dacht: dit is niet goed, ik moet dit bespreekbaar maken.”
Hij was vervolgens open naar het team dat hij had samengesteld om zich voor te bereiden op het Kamerdebat. “Ik zei: ‘Ik heb vernomen dat sommigen van jullie zich zorgen maken over mijn positie. Maar het hoort bij het vak; als er in de Kamer geen steun is, zal ik gaan. Ik lees de ministeriële verantwoordelijkheid overigens niet als: er is iets ergs gebeurd en de minister moet vertrekken. Maar: is de minister in staat om fouten onder ogen te zien en daar wat aan te doen?”
"Laat zien dat je alles uit de kast trekt om de kans dat dit nog een keer gebeurt zo klein mogelijk te maken"
Wees open over fouten
De ‘verkramptheid’ die hij eerder bij Defensie had gezien rondom de kwestie Mali vormde een les voor Dekker. “Ik zei: ‘Daar kunnen we van leren, dus wees open over wat er fout is gegaan, toon berouw. Laat zien dat je alles uit de kast trekt om de kans dat dit nog een keer gebeurt zo klein mogelijk te maken. Doe dat oprecht.’” Uiteindelijk kreeg hij een motie van wantrouwen tijdens het debat. “Dat verbaasde me niet, maar die werd uiteindelijk alleen gesteund door de PVV.”
Zijn team bestond uit DG Wim Saris, zijn politiek assistent, communicatiemedewerkers, mensen van de beleidsdirectie Straffen en Beschermen en adviseurs van buiten het ministerie. Die laatsten had hij in de arm genomen ‘voor het dwarsdenken’. “Het is altijd fijn om iemand binnen handbereik te hebben die kan meedenken, die je scherp houdt en die groepsdenken tegengaat.”
Vrachtwagen vol bananenschillen
Wat zou hij willen meegeven aan nieuwe bestuurders? Kiezen en vaart maken waren lessen die hij zelf meekreeg toen hij als staatssecretaris begon in gesprekken met Mark Rutte en Halbe Zijlstra, beiden doorgewinterd in het landelijk bestuur. “Ga snel van start, want je weet niet hoelang het kabinet er zit. Bovendien, wetten hebben lange doorlooptijden: als je vandaag begint, mag je blij zijn dat de wet wordt aangenomen aan het einde van je periode. Dus zet daar vaart op. Je wil ook focussen: wat zijn de twee à drie belangrijkste dingen die je in deze vier jaar gerealiseerd wil hebben?”
Hoe houd je die focus op de prioriteiten gedurende de rit? “Door selectief te zijn, door niet te veel te willen en door met je ambtelijke team aan de voorkant duidelijk te zijn: deze twee, drie dingen zijn het allerbelangrijkst.” Crises en media-aandacht slokken tijd en aandacht op, zeker bij het ministerie van Justitie waar crises aan de orde van de dag zijn. ”Iedere ochtend wordt er een vrachtwagen vol bananenschillen voor het ministerie gelost. Daar mag je op weg naar binnen tussendoor manoeuvreren; dat heb je niet in de hand. En als er echt iets vreselijks gebeurt, dan ben je verantwoordelijk als minister.”
Problemen naar buiten kruien
Toch ging het maken van de keuzes voor hoofdlijnen en het bewaken daarvan hem beter af bij Justitie, geeft Dekker aan. Dat had vooral met zijn eigen ervaring te maken. “Ik denk dat Justitie een veel ingewikkelder ministerie is. Toen Ferd (Grapperhaus, minister van Justitie in kabinet Rutte III, red.) en ik allebei minister werden op dat ministerie zei iedereen meewarig tegen ons: “‘Leuk, minister, maar op Justitie, weet je het zeker? Want al je voorgangers zijn niet vrijwillig vertrokken.’” Hij doelt daarbij op minister Opstelten en staatssecretaris Teeven, en daarna minister Van der Steur, die alle drie moesten opstappen vanwege de bonnetjesaffaire.
Wat trof hij aan toen hij er begon? “Er zat een hoop spanning in dat ministerie. Siebe Riedstra was als secretaris-generaal in de arm genomen om intern voor meer veiligheid, openheid en samenwerking te zorgen.” De cultuur was er defensief. “Problemen moesten onder het tapijt en vooral niet te veel naar buiten.” Dat probeerden Grapperhaus en Dekker als nieuwe bewindslieden juist om te draaien. “Ons devies was: ‘Ah, een probleem, we kruien het zo snel mogelijk naar buiten.’”
Een werkwijze die hij kende van een bekende voorganger, Gerrit Zalm. Zijn devies herinnert Dekker zich als volgt: “‘Als minister ben je er niet voor om problemen weg te houden, je bent er juist voor om ze naar buiten te krijgen en te zeggen: ‘We gaan het oplossen.’’ Dat is me altijd goed bevallen. Het is soms pijnlijk om te zeggen: er is iets fout gegaan en ik ben verantwoordelijk. Maar uiteindelijk begrijpt iedereen dat in een grote organisatie waar meer dan 100.000 mensen werken er iedere dag dingen foutgaan.”
Een leertraject
Justitie ligt veel meer onder het vergrootglas dan OCW. “Toen ik bij Justitie begon, had ik vier of vijf jaar rondgelopen op het Binnenhof en er veel geleerd.” Die ervaring hielp hem verder.
De VVD biedt als bestuurderspartij kadering, cursussen, coaching en begeleiding aan. In hoeverre bereidde hem dat voor op het politiek bestuur? “Dat heeft me ongelofelijk geholpen.” Hij bouwde al vroeg een goed netwerk op. Zo zat hij als beginnend fractievoorzitter in Den Haag in een klasje met Mark Harbers en met Halbe Zijlstra. “Aan het einde van zo’n dag gingen we vaak een hapje eten met Gerrit Zalm en Johan Remkes. Dan bespraken we de verhalen en cases, en werden we begeleid. Ook in die vroege jaren waren er altijd één of twee mensen bij wie ik te rade ging die dan een soort coach waren.”
Nieuwe politieke bewegingen komen snel op en leveren dan soms ook bewindspersonen die dergelijke ervaring en voorbereiding missen. Dekker kan ze dat niet kwalijk nemen, want dat hoort erbij in onze democratie. “Ik ben trots dat ik in een land leef waar steeds nieuwe partijen kunnen ontstaan. Ik ben zelf alleen lid geworden van een partij die een lange historie heeft en die veel tijd en energie steekt in het opleiden en begeleiden van talent.” Hij noemt dat één van de belangrijkste functies die politieke partijen hebben: een goede kweekvijver bieden aan getalenteerde mensen die iets willen doen voor de publieke zaak. Hij levert daar zelf ook een bijdrage aan. “Nu geef ik wat terug. Ik heb daar zelf ook van genoten.”
"Politiek is niet veel anders dan het smeden van compromissen, slaan van bruggen, zoeken naar oplossingen en creëren van draagvlak"
Haagse opvoeding
Dekker heeft de Haagse politiek verlaten en is tegenwoordig bestuurder van het Maasstad Ziekenhuis in Rotterdam: “Aan de ene kant is het fijn om te zien dat er buiten de Haagse kaasstolp een wereld is die doordraait en zich soms weinig aantrekt van wat er in die kaasstolp gebeurt. Dat is relativerend. Tegelijkertijd kijk ik met veel liefde terug.” In tien jaar landelijke politiek en daarvoor zo’n zeven jaar als wethouder is hij erin ‘opgevoed’ vertelt hij. “Je leest de krant en denkt: dát zit erachter. Het lezen van de Haagse dynamiek wordt heel normaal en vanzelfsprekend.”
In zijn nieuwe carrière heeft hij te maken met een andere inhoud en dynamiek waar hij veel van leert. Maar als je van buiten komt, breng je ook andere invalshoeken mee, waar anderen weer van kunnen leren. “Politiek is niet veel anders dan het smeden van compromissen, het slaan van bruggen, het zoeken naar oplossingen en het creëren van draagvlak. Een ziekenhuis is geen politieke organisatie, maar dit zijn processen die ook hier belangrijk zijn. Als wij een grote verandering doorvoeren, slaagt die alleen als je draagvlak hebt. En dat krijg je alleen als je het met zijn allen ergens over eens wordt. Dat je dan niet altijd je gelijk kan halen, maar ook bereid moet zijn iets te vinden waar iedereen zich goed bij voelt; dat zijn de dingen waar ik vandaag ook mee bezig ben.”
