“Uiteindelijk heeft de kiezer jou daar neergezet om het land te besturen”
Stef Blok was namens de VVD minister voor Wonen en Rijksdienst en een periode ook van Veiligheid en Justitie in kabinet-Rutte II (2012-2017). In Rutte III werd hij minister van Buitenlandse Zaken (2018-2021), en in 2021 minister van Economische Zaken. Naar zijn ambtenaren en de Kamer was hij altijd helder: “‘We doen belangrijk werk in Den Haag, maar moeten ook duidelijk zijn over wat we hier doen en wat er lokaal moet gebeuren.’” Ook als dat een minder welkome boodschap is: “Uiteindelijk heeft de kiezer jou daar neergezet om het land te besturen.”
Blok was al politiek routinier toen zijn eerste ministerschap zich aandiende; hij was bijvoorbeeld al jarenlang Kamerlid. Bij aanvang van Rutte I volgde hij tegen alle verwachtingen Rutte op als fractievoorzitter. Een functie die hij met plezier vervulde, vertelt hij. “In deze functie doe je de onderhandelingen en het uitruilen van dossiers; daar ligt soms meer invloed dan bij een minister, met alle respect.” In Rutte II werd hij wél bewindspersoon. “Mijn opties waren Economische Zaken of de nieuwe, gecombineerde portefeuille Wonen en Rijksdienst. Vanwege het enorme hervormingspakket op beide poten heb ik met veel plezier Wonen en Rijksdienst gedaan en later (tijdens Rutte III, red.) ook nog Economische Zaken.”
Een ingewikkeld vak
Door zijn ervaring had Blok een goed beeld van het ministerschap, geeft hij aan. Zo was hij bijvoorbeeld aanwezig geweest bij overleggen tussen fracties. Als campagneleider en later als fractievoorzitter schoof hij regelmatig aan bij het bewindspersonenoverleg. Ook de samenwerking met de ambtelijk organisatie was hem niet vreemd: “Ik heb samen met andere Kamerleden twee initiatiefwetten gemaakt, daarbij krijg je ambtelijke ondersteuning.”
Een traditionele bestuurspartij als de VVD biedt de mogelijkheid mensen op te leiden. Die vorming vanuit de partij noemt hij ‘cruciaal’. “Politiek bestuurder is een ingewikkeld vak. Het is technisch ingewikkeld, maar je hebt ook te maken met grote organisaties en dus ook met vragen rondom management en ICT. Wat je in het bedrijfsleven niet tegenkomt, is de communicatie met het publiek: het overbrengen van moeilijke maatregelen.” Omdat het werk zo complex is, moet je mensen daarvoor selecteren en opleiden, stelt hij, net als hij dat in zijn eerdere carrière bij ABN AMRO meemaakte. “Er zijn ledenbijeenkomsten voor de gezelligheid, om te horen wat er leeft, maar ook om mensen die actief willen worden cursussen aan te bieden. “Je begint vaak op gemeentelijk niveau, dat heb ik zelf ook gedaan. Dat is essentieel om te bekijken of het je bevalt en of je het in de vingers hebt. Daar leer je compromissen te sluiten en hoe je een boodschap kan overbrengen.”
Een overweldigende ervaring
Ondanks deze vorming spreekt hij van een ‘overweldigende ervaring door de enorme werk- en mediadruk’ in zijn eerste weken als minister. De hervormingen waren ingrijpend en in de eerste paar dagen waren er bovendien wat akkefietjes, waaronder in zijn eigen partij rond de inkomensafhankelijke ziektekostenpremie. “Dan ontstaat er in de journalistiek een sfeer waarin gedacht wordt dat het niets is en nooit iets zal worden. Gecombineerd met de enorme hoeveelheden informatie die je inhoudelijk moet verwerken, is dat nogal overdonderend. Na een tijdje wen je eraan en ontdek je dat het niet veel anders wordt.”
Constructieve oppositie
Een markant moment in zijn carrière noemt Blok het Woonakkoord. “In het regeerakkoord-Rutte II hadden we een ambitieus pakket aan maatregelen afgesproken. De woningbouw was door de economische crisis ingestort naar 45.000 woningen op het dieptepunt, bij meer dan een miljoen mensen stond het huis ‘onder water’.” Dat zorgde ervoor dat de crisis zich verder verdiepte. “Er waren bovendien grote onregelmatigheden geweest bij woningcorporaties door speculatie op de financiële markten en zelfverrijking. Er was een breed gevoel dat er iets moest gebeuren, maar het was ook een heel gevoelig onderwerp.”
Het kabinet had weliswaar een meerderheid in de Tweede Kamer, maar niet in de Eerste Kamer. Er was daarom hulp van oppositiepartijen nodig om de plannen te verwezenlijken. “Het woonakkoord was het eerste akkoord met de ‘constructieve oppositiepartijen’ die in ruil voor een aantal aanpassingen hun steun toezegden in de Eerste Kamer. Daarmee kon ik een serie wetten door de Kamer krijgen. Dat wetgevingstraject heeft een kleine twee jaar geduurd. Met stuk voor stuk gevoelige componenten, die alleen in hun samenhang acceptabel waren voor de partijen.”
Het bleek een opmaat naar een coalitie die bereid was andere moeilijke financieel-economische maatregelen te steunen. ”Ik vond en vind het een prachtig voorbeeld van hoe Nederland Coalitieland kan functioneren, en heb daar dierbare herinneringen aan. Alexander Pechtold en Wouter Koolmees van D66 speelden daar een belangrijke rol in, en ook Carola Schouten van de ChristenUnie en Kees van der Staaij van de SGP. Allemaal partijen die zeiden: ‘We zitten niet in de coalitie, maar nemen wel onze verantwoordelijkheid.’”
"In een democratie met veel belangen en veel partijen maakt een crisis het vaak mogelijk om moeilijke stappen te zetten"
Pijnlijke maatregelen
Blok ziet twee redenen waarom de samenwerking met de oppositie toen lukte. “De diepe financieel-economische crisis creëerde een enorm verantwoordelijkheidsgevoel. Daarnaast kenden de mensen rond de tafel elkaar nog van wat later het Lenteakkoord is gaan heten.” Toen na de val van Rutte I Nederland dreigde de 3%-tekortslimiet van het Stabiliteits- en Groeipact niet te halen, schoten dezelfde partijen van het woonakkoord - met uitzondering van de PvdA - te hulp. Samen stelden de partijen een pakket op met voor ieder moeilijke maatregelen om zo te zorgen dat Nederland aan zijn verplichtingen bleef voldoen. “Dat legt een enorme basis van vertrouwen.”
De hieruit te trekken les vat hij samen met de klassieker: “Never waste a good crisis.” Hij noemt het wel een enigszins ‘zure les’: “In een democratie met veel belangen en veel partijen maakt een crisis het vaak mogelijk om moeilijke stappen te zetten.” Hoe belangrijk het is om die pijnlijke maatregelen te treffen, illustreert hij met het voorbeeld van het verlagen van de AOW-leeftijd. Daar was hij zelf als onderhandelaar namens de VVD bij betrokken. “Het was een impopulaire maatregel, dat kon alleen tijdens een crisis. Nu ik lid ben van de Europese Rekenkamer zie ik nog steeds de grote worstelingen in Frankrijk, België en Duitsland, omdat daar niet op tijd die pijnlijke maatregel genomen is.”
Tempo maken
Een belangrijke les leerde Blok van minister van VWS Hans Hoogervorst (VVD), toen hij voorzitter van de Kamercommissie Volksgezondheid was. “Tempo maken. Veel tempo maken. Want aan het begin van een coalitie kun je pijnlijke maatregelen nemen, daarna zit iedereen met zijn hoofd bij de volgende verkiezingen.”
Tempo maken vraagt om bestuurlijk vakmanschap, bijvoorbeeld om het ambtenarenapparaat op de juiste manier in te zetten. Nederland is gezegend met hele goede ambtenaren, ervaarde Blok. “Zij zijn bereid dag en nacht te werken. Als de volgende dag de antwoorden voor de Kamervragen nodig waren, was het letterlijk ’s nachts. Dat heb ik vaak meegemaakt. Ze zijn ook enorm gemotiveerd als ze zien dat het gaat gebeuren. Voor de woningmarkt circuleerden al decennialang plannen. Als het eenmaal lukt, ontstaat er een vibe in een organisatie. Dat is mooi om mee te maken.”
"De kern is dat we wilden laten zien dat als we veel van de samenleving vragen, we zelf de trap van bovenaf schoonvegen"
Logisch organiseren
Het kabinet-Rutte II kwam bekend te staan als een hervormingskabinet. Dat vroeg veel van de samenleving, maar ook van de overheid zelf. Blok licht toe: “De kern is dat we wilden laten zien dat als we veel van de samenleving vragen, we zelf de trap van bovenaf schoonvegen.” Dat betekende werken aan een kleinere overheid. “Dat kan alleen als je aangeeft wat je minder gaat doen; ambtenaren zitten tenslotte geen paperclips recht te buigen. En je gaat ministeries samenvoegen: Wonen bij Binnenlandse Zaken, Ruimtelijke Ordening bij Verkeer en Waterstaat en Landbouw bij Economische Zaken. Dat maakt een aantal efficiencyslagen mogelijk, in ieder geval bij ondersteunende diensten en de leiding.”
Blok ziet ook andere voordelen aan het onderbrengen van Wonen bij Binnenlandse Zaken (BZK). “Ik vond en vind het logisch. Lokaal wordt besloten of een weiland wel of niet wordt volgebouwd. En welke infrastructuur dit met zich meebrengt.” De vraag is dan wat dat voor gemeenten en provincies betekent. “Zij vallen onder Binnenlandse Zaken, ook de belangrijkste geldstroom - het Gemeentefonds - zit daar. Dat was voor mij een belangrijke overweging: de financiële opgave voor gemeenten en provincies kan in het Gemeentefonds ingepast worden. Zolang het een apart ministerie is, moet je hopen dat je een apart budget hebt, en dat heb je niet; het budget van VROM was de huurtoeslag. Daarmee kun je een gemeente of provincie niet helpen.”
Nadat de politie van BZK naar VenJ was gegaan, gaf de toevoeging van Wonen het ministerie bovendien een nieuwe impuls. “U vindt uit die tijd nog wel eens koppen over ‘het ministerie van lege dozen’. Om het ministerie van Binnenlandse Zaken meer body te geven, was het logisch om het wonen-deel van de oude VROM-portefeuille daar te plaatsen, naast een aantal taken die belangrijk zijn en die het wel degelijk had.”
Logische combinaties helpen ook om verkokering tegen te gaan, stelt hij. “Er lag een stapel onderzoeken naar de verkokering tussen ministeries. Hoewel ik werkte in kabinetten met minder ministeries, heb ik die verkokering ook gezien. Vooropgesteld: het is héél menselijk. Onderzoeken laten zien: als je een groep mensen verschillende kleuren shirtjes aangeeft, gaan ze zich identificeren. Dat gebeurt ook bij ministeries.”
"Een landsbestuur kan niet functioneren wanneer geprobeerd wordt alles door een minister in Den Haag te laten doen"
Definieer je kerntaak
In 2017 stapte Blok over naar VenJ nadat minister Van der Steur was afgetreden. Minister Plasterk van BZK nam Wonen en Rijksdienst van hem over. Als nieuwe Justitieminister zag hij hoe belangrijk de verantwoordelijkheidsverdeling in de justitiële keten is: “Ik vond het fascinerend dat ik in mijn tas het ondertekenen van de benoemingen van rechters vond. Waarop ik vroeg: ‘Denk je dat mijn collega bij Onderwijs de benoemingen van leraren ondertekent? Dat vormt een enorme stapel papierwerk; hou daar mee op, alsjeblieft!’” Hij kreeg daardoor veel individuele gevallen op zijn bureau. “Ik vind dat eigenlijk niet de taak van de minister. Sterker nog, de rechtsstaat brengt met zich mee dat het parlement en minister gezamenlijk wetgeving maken. De minister is verantwoordelijk voor de uitvoering daarvan, maar individuele gevallen zijn aan onafhankelijke rechters en het Openbaar Ministerie. Ernstige gevallen werden mij voorgelegd, waar ik niet op werd geacht te reageren. Terecht. Vervolgens gaan de samenleving én de Kamer je wel vragen stellen over individuele gevallen. Ik vond dat zeer onzuiver.” Hij legt uit waar deze werkwijze vandaag komt: “Het is een combinatie van interne bureaucratie en de neiging in parlement en pers om de minister op individuele gevallen in te zetten.” Ook op andere ministeries gebeurt dit, zag Blok. Maar, vindt hij: “Een landsbestuur kan niet functioneren wanneer geprobeerd wordt alles door een minister in Den Haag te laten doen.”
"Je moet definiëren wat je kerntaak is, die moet je heel goed doen"
Wat kan en moet je wél doen als minister? Blok: “Het begint met een helder beeld van hoe een land effectief bestuurd kan worden; door op de goede plek de goede dingen te doen.” Hij geeft een voorbeeld: “Beslissen over bijvoorbeeld woonwijken in Vlodrop doe je daar, het aanspreekpunt is in dit geval lokaal. In het geval van Justitie zijn individuele gevallen in handen van de rechter of het Openbaar Ministerie. Gelukkig hebben we daar een verstandige onafhankelijkheid voor gecreëerd.” Ambtenaren waarderen deze duidelijkheid, zag hij: “Ze zijn blij als ze merken dat een minister zuiver is over wat er in Den Haag moet gebeuren. Dat beschermt ons (het ministerie, red.) tegen zaken die ook belangrijk zijn, maar op lokaal of individueel niveau spelen.”
Weten hoe je een grote organisatie efficiënt kan laten functioneren is daarbij essentieel, leerde hij als bankier. “Je moet definiëren wat je kerntaak is, die moet je heel goed doen. Andere dingen zijn wel belangrijk, maar niet voor deze organisatie. Je moet daar heel scherp op zijn, anders krijgen burgers slechte dienstverlening.”
De verplichting zuinig en effectief te zijn
Aan het einde van kabinet-Rutte II ontstond er discussie over de bestuurlijke last van individuele bewindspersonen. Blok: “Natuurlijk kan toenemende werkdruk een reden zijn om extra bewindspersonen aan te stellen. Zo werd tijdens de coronacrisis Martin van Rijn als bewindspersoon geworven. Maar wanneer je ergens geen grote wetgevingsopgave hebt, is een logische vraag of je daar wel een aparte minister voor wil hebben. Tegelijkertijd is het een oud, bureaucratisch principe dat iedere organisatie en persoon op zoek gaat naar zijn eigen werk. Een minister zal zichzelf druk houden.” Bovenal vindt hij dat je met publiek geld de verplichting hebt zuinig en effectief te zijn: “Dat moet je laten zien vanaf de top.”
Een gestructureerde agenda
Hoe zag zijn drukke agenda er doorgaans uit? “De week is in zekere zin gestructureerd. De Kamer is dominant in je agenda; er zijn drie Kamerdagen. De voorbereiding van Kamerdebatten vraagt veel tijd, ook voor de ambtelijke staf. Dan ben je terughoudend met afspraken. De maandag en vrijdag kun je het land in, en als minister van Buitenlandse Zaken de wereld in. Voor de weekenden is er de weekendtas. Dat is serieus werk. Het ministerie valt stil als op maandag de stukken niet terug zijn met akkoord, niet-akkoord of met ideeën van de minister. Op zaterdag zijn er vaak maatschappelijke of partijactiviteiten en zondag is bij Buitenlandse Zaken meestal een reisdag.”
Minder verankering
Elk departement kent zijn eigen cultuur, zeker een ministerie als Buitenlandse Zaken (BZ). Blok was er minister tijdens Rutte III nadat zijn voorganger Halbe Zijlstra begin 2018 was opgestapt. “Buitenlandse Zaken rekruteert van oudsher zijn eigen mensen, gescheiden van de rest van de rijksdienst. Dat verklaart een sterk verschil in beleving, met voor- en nadelen. Ik trof er zeer gemotiveerde, goede mensen. Het nadeel is dat er minder verankering in Nederland is, maar ook in de Haagse wereld.”
"Zorg dat je in loopbanen ook over grenzen van ministeries en uitvoeringsorganisaties heen werkt en andere perspectieven leert kennen"
Blok legt uit dat bij Rutte II daarom in het regeerakkoord stond dat de topambtenaren ook bij andere ministeries gerekruteerd konden worden. “Sindsdien zijn er een aantal SG's en DG's van buiten benoemd en zie je ook meer mensen van Buitenlandse Zaken op een ander ministerie werken; prima. Op Nederlandse ambassades in het buitenland en specifiek Europa is dit (vakdeskundigheid, red.) een essentieel onderdeel van het werk. Het positieve van een specifieke buitenlandsdienst is dat die effectief is in het diplomatieke werk.”
Ook het vermogen tot samenwerken is essentieel, stelt hij: “Na mijn ministerschap ben ik een aantal weken Coördinator Sancties Rusland geweest. Toen bleken er grote binnenlandse uitvoeringsvraagstukken vast te zitten aan internationaal afgesproken sancties. Er komen ieder uur enorme containerschepen binnen in Rotterdam; ga die maar eens controleren. De banken moesten overnight rekeningen bevriezen, de Douane en de Belastingdienst moesten dit uitvoeren. Toen merkte ik dat er wederzijds wantrouwen was: ‘Jullie overleggen niet eerst voordat je sancties afkondigt.’ Op zo’n moment wordt onvoldoende samenwerking en vertrouwen tussen ministeries schadelijk.”
Voor de ontwikkeling van die vakdeskundigheid heeft hij een advies voor het Rijk. “Zorg dat je in loopbanen ook over grenzen van ministeries en uitvoeringsorganisaties heen werkt en andere perspectieven leert kennen. De Nederlander mag een goed functionerende rijksdienst verwachten. Hoe die zich intern organiseert is van belang, maar moet uiteindelijk als doel hebben dat de overall dienstverlening goed is.”
Besturen, elkaar niet bestrijden
Voor de ministerraden die Blok meemaakte, alle onder premier Rutte, gold dat conflicten vóór de raad opgelost moesten zijn: “Als we nog een punt hadden, was dat nooit een verrassing. Dat hadden we van tevoren genoemd en het liefst al opgelost.” Anders werkt het niet, stelt Blok. “Zo houd je de ruimte om actuele zaken te bespreken die om de inhoud belangrijk zijn, maar ook voor lotgenotencontact. Als een minister middenin een crisis zit, is het menselijkerwijs enorm belangrijk dat je dat met elkaar deelt om te kijken waar je elkaar kan helpen. De mensen aan tafel zijn de enigen die weten wat die enorme druk inhoudt, zowel mentaal als qua complexiteit.”
Zo samenwerken vereist collegialiteit, stelt Blok. “Een belangrijk onderdeel van een effectief kabinet. Toen Plasterk en ik begonnen bij Binnenlandse Zaken hielden we een speech voor de medewerkers. We zeiden allebei: ‘We kunnen u nu een half uur lang uitleggen waar we het niet over eens zijn, maar we hebben een regeerakkoord gesloten en gaan het land besturen, niet elkaar bestrijden.’ Zo hebben we ook altijd gewerkt. Het is je verantwoordelijkheid om te proberen eruit te komen. Dat wordt gewaardeerd, mensen zien dat heel goed.”
Eervol
Als minister van BZ vertegenwoordigde Blok Nederland tijdens het tijdelijk lidmaatschap van de VN Veiligheidsraad (2018). “De MH17 speelde daar een grote rol. Dat (agenderen, red.) is vanaf het begin als collectieve Nederlandse verplichting naar de nabestaanden toe opgepakt. Het werd in andere landen zeer gewaardeerd, dat we dat bleven doen.” Het ging om een zeer emotioneel beladen dossier. “In de ministerraad stond het altijd op de agenda, daar steunde je elkaar. Als minister van Justitie had ik al een aantal bijeenkomsten met nabestaanden meegemaakt, waar ik direct hun ervaringen met het leed zag. In die zin was het vooral heel eervol om dat namens Nederland te mogen doen.”
"Je mag mensen niet alleen naar de mond praten, je moet eerlijk zijn"
Grote verwachtingen van de overheid
Blok blikt terug op het veranderende beeld van de rol van minister gedurende zijn politieke loopbaan. “Je ziet dat de maatschappelijke en politieke slinger heen en weer gaat. In een tijd van crisis is er in de samenleving begrip voor pijnlijke maatregelen, maar ook de roep om een kleinere overheid. Vervolgens ontstaat er de gedachte dat het beter gaat met meer ambtenaren of geld. Dan wordt weer ontdekt dat er altijd een schaarste is aan geld, maar inmiddels ook aan mensen, en dat je toch weer keuzes moet maken. In het begin had ik de hoop dat er in een hoogontwikkeld land als Nederland meer bereidheid zou zijn om niet alles van de overheid te verwachten. Toch zag je snel weer een enorme verwachting opkomen.”
En wanneer het economisch weer beter gaat, neemt het aantal wensen toe, ziet Blok. “Politici zijn het daar deels mee eens, voor een deel kunnen ze er geen ‘nee’ tegen zeggen. Er ontstaan ook nieuwe uitdagingen. Nog tijdens Rutte II was er de opkomst van islamitisch terrorisme. Dat maakte allerlei extra beveiligingsmaatregelen noodzakelijk bij rijksgebouwen en vliegvelden waarvoor meer mensen nodig waren. De realisatie van de schade in Groningen maakte het nodig om daar snel een nieuwe rijksdienst voor op te bouwen. De jaren daarna was op allerlei terreinen groei.” Die slinger gaat ook weer de andere kant op. “Nu lees je her en der voorstellen om weer te snoeien.”
Mensen niet naar de mond praten
Binnen zo’n conjunctuur kan je als minister wel sturen, ziet hij. “Als je gelooft dat het er allemaal niet toe doet, lijkt me dat deprimerend. Dan moet je vooral niet de politiek in gaan. Naar de Kamer en mijn ambtenaren was ik altijd duidelijk: ‘Wij doen hier heel belangrijk werk in Den Haag. Maar we moeten ook duidelijk zijn over wat we hier moeten doen en wat er lokaal moet gebeuren.’ Ook als die boodschap in eerste instantie niet welkom is. De rekening moet door iemand worden betaald. Dat moet je blijven brengen, op zo’n manier dat mensen jou het vertrouwen en hun stem geven. Dan kun je ermee aan de slag. Je mag mensen niet alleen naar de mond praten, je moet eerlijk zijn. Iedere politicus zou de uitspraak van Willem Drees boven het bed moeten hangen: ‘Niet alles kan, en zeker niet alles tegelijk.’ Die zijn allebei waar. Dat is héél cruciaal.”
Zijn belangrijkste lessen voor aankomende bewindspersonen? “Vertrouw op je ambtenaren, maar ga ook in discussie. Je hoeft niet alles te doen wat ambtelijk voorgesteld wordt. Durf impopulaire boodschappen te brengen. En zorg voor onderlinge collegialiteit, ook als je het niet met elkaar eens bent. Uiteindelijk heeft de kiezer jou daar neergezet om het land te besturen. Aan de slag!”
