“Geen ivoren toren, maar praten en luisteren”

Loek Hermans was dertien jaar VVD-Kamerlid, werd burgemeester van Zwolle, Commissaris van de Koningin in Friesland en minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen (OCW) in het Kabinet-Kok II (Paars II) van 1998 tot 2002. Daarna was hij Eerste Kamerlid en voorzitter van de VVD-fractie in de Eerste Kamer, en vervulde veel nevenfuncties. Als minister kreeg hij te maken met een flink beleidsterrein op een groot departement. Hij stapte daar met een open geest in: “Natuurlijk gaat er wat fout. Maar hoe ga je dat opvangen?” Als minister koesterde hij zijn contacten met de mensen in het veld: “Die contacten zijn belangrijk: geen ivoren toren, maar praten en luisteren.”

Hermans kwam in 1977 op 26-jarige leeftijd in de Tweede Kamer. “Ik zat daarvoor in militaire dienst en wilde naar de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst in Harderwijk. Maar dat ging niet door, want de kazernecommandant, voorzitter van de VVD in Gelderland, zei: ‘Je staat te hoog (op de lijst, red.). Dan ga je een opleiding doen en vervolgens vertrek je naar de Kamer; ga jij maar op de administratie werken.’” Toen hij inderdaad de stap naar het parlement maakte, gaf zijn vader hem een advies: “‘Je bent pas 26, begin eerst maar eens een jaar lang je mond te houden.’ Een uitstekend advies, maar ik heb het niet opgevolgd. Dat kon ook niet, want je moest binnen een jaar je maiden speech houden.”

‘Wat wil ik?’

Hermans was dertien jaar Kamerlid. Een lange periode waarin hij soms naar iets anders verlangde. Toen kwam het parlementair onderzoek naar het paspoort. Het paspoort moest fraudebestendig zijn, maar er was van alles mis mee. Vanuit zijn partij kreeg hij de keus: “‘Wil je het onderzoek leiden of woordvoerder zijn?” Hij koos het onderzoek, dat gaandeweg werd opgeschaald naar een parlementaire enquête. “Er was één belangrijk stukje in het uiteindelijke rapport waar de Kamer nooit iets mee heeft gedaan. Dat de gegevens van alle Nederlanders bij een klein drukkerijtje, ELBA, in Schiedam lagen. Hoezo bescherming persoonsgegevens?”

Na het onderzoek was het ‘business as usual’, terug de Kamer in, maar hij was klaar voor een volgende stap. “Ik dacht: wat wil ik verder? Toen hoorde ik dat Zwolle een burgemeester zocht. Daar heb ik op gesolliciteerd en dat ben ik toen geworden. Ik heb dat vier jaar met ontzettend veel plezier gedaan.” Daarna werd hij in 1994 gevraagd als Commissaris van de Koningin (CdK) in Friesland, als opvolger van Hans Wiegel. Ook dat deed hij vier jaar. In 1998 keerde hij terug naar Den Haag, dit keer als minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW).

Kooltjes uit het vuur halen

Achteraf is hij blij met de bestuurlijke ervaring die hij opdeed in Zwolle en Friesland. “Volksvertegenwoordiger zijn is heel wat anders dan bestuurder zijn. Als burgemeester en CdK heb je te maken met colleges die goed moeten functioneren. Jouw rol is te ondersteunen op de achtergrond. En als het moeilijk wordt, haal je kooltjes uit het vuur voor je wethouders of gedeputeerden. Daarna stap je zelf weer naar achter. Dat leren terugtreden heeft me veel gebracht.”

Zijn eerdere functies leerden hem bovendien prioriteiten te stellen. “OCW is een enorm departement, je krijgt zoveel dagelijkse dingen op je dak. In het eerste interview bij de kennismaking in de Trêveszaal kreeg ik de vraag: ‘Bent u niet bang dat er wat fout gaat? Het is zo'n groot beleidsterrein.’ Ik antwoordde: ‘Nee, want ik weet namelijk zeker dat er wat fout gaat.’ Natuurlijk gebeurt dat, maar hoe ga je dat opvangen?”

Gideonsbende

Als je als minister begint, kom je in de zogenaamde bontkraag terecht. “De mensen om je heen die proberen je uit de wind te houden en je goede informatie geven.” Hij zocht daarnaast ook tegengas en vormde daarvoor een clubje, zijn ‘Gideonsbende’. “Eens in de maand ging ik eten met mensen uit het onderwijsveld, van daarbuiten en een stagiaire uit het departement; een mannetje of vijf. Die hield ik buiten het kabinet van de minister en de SG, helemaal voor mezelf. Ik zei: ‘Als jullie één keer zeggen hoe goed ik het heb gedaan, kom je er de volgende keer niet meer in. Je moet zeggen wat ik beter had moeten doen. Of: waarom heb je daar niet op gelet?’ Die externe druk vond ik heel belangrijk.”

Voordat Hermans op OCW startte, werd het departement lange tijd door PvdA-bewindslieden geleid. De laatste VVD-minister daar was Ari Pais, eind jaren zeventig. Partijleider Frits Bolkestein vond het daarom tijd voor een VVD’er aan het roer. Bolkestein gaf Hermans mee: “‘Ga er maar flink met de bezem doorheen.’” Hij licht verder toe: “De mensen in de bestuursraad hadden bij elkaar 125 jaar departementale onderwijservaring. Dat is hartstikke mooi, maar ik dacht: als ik wat wil veranderen, moet ook daar wat veranderen, anders loop ik tegen een leemlaag op.” De eerste waar hij afscheid van nam was de SG, Piet Holthuis. “Ik zei tegen Piet: ‘Is het niet beter dat jij wat anders gaat doen?’ Je kan ook rigoureus gaan ontslaan, maar dat doe ik niet. Ik ga praten. Uiteindelijk is Holthuis naar Justitie gegaan.” Het vervangen van mensen vond hij geen gemakkelijke klus. “Je probeert mensen om je heen te verzamelen, maar dat is lastig. Je hebt te maken met mensen die er al jaren zitten, dan kom jij binnen en wil je wat anders. In de eerste vergadering was het vaak: ‘Dat hebben we al een keer gedaan.’ Dat zijn gevaarlijke uitspraken, wist ik vanuit Zwolle en Friesland. Ik dacht: ja, maar het moet toch.”

Vroeg keuzes maken

Zijn ambtenaren kwamen na een paar weken met een stuk over de studiefinanciering vanuit zijn voorganger Ritzen. Hermans wist uit de Begeleidingscommissie Toekomst Studiefinanciering die hij leidde, dat Ritzen en hij daar andere ideeën over hadden. Hij sprak zijn ambtenaren aan: “Ik zei dat er een andere minister was en dat ik het zonde vond dat er zoveel werk aan was besteed, omdat ze konden weten dat ik vanuit mijn politieke achtergrond iets anders wilde.” Hoe bracht hij zelf zijn ideeën in? “Ik ging praten met de DG, de directeuren en met de schrijvers van het stuk. Ik zei: ‘Zeg het maar als het niet kan wat ik wil, dan praten we erover.’ Je maakt dan vroeg keuzes met de mensen, waardoor zij geen stukken maken die straks toch niet door de minister worden opgepakt. Dat heb ik geleerd: met zulke dingen moet je vroeg beginnen. Ik zei altijd: ‘Ik wil alternatieven en scenario’s zien. Wat kan en wat niet, en wat zijn de voor- en nadelen’”? Zijn advies is dan ook: “Zorg dat je politieke kleur al in de voorbereiding van stukken een plek krijgt, zodat je niet op het laatste moment hoeft te zeggen dat je een stuk niet wilt. De frustratie bij medewerkers die eraan hebben gewerkt, is dan erg groot. Dat wilde ik niet.”

Elkaar helpen

Als minister moet je kunnen samenwerken met mensen van een andere politieke kleur. Bij de werving van een nieuwe SG voor OCW speelde die politieke kleur geen rol, vertelt Hermans. “Ik heb nooit gezegd dat ik VVD'ers wilde hebben. Ik heb veel liever een goede PvdA’er dan een halve VVD’er.” Als minister van OCW had hij twee PvdA-staatssecretarissen aan zijn zijde: Karin Adelmund en Rick van der Ploeg. “Een goed team”, zegt hij. Bij de kennismaking op het departement ontmoette hij staatssecretaris van Onderwijs Adelmund voor het eerst. “We kenden elkaar alleen van televisie. Karin had de tegenwoordigheid van geest om te zeggen: ‘Zullen we samen een hapje gaan eten?’ Dat hebben we die week vier keer gedaan om elkaar te leren kennen en vertrouwen te krijgen. Wat wil jij en wat wil ik? Hoe gaan we het doen? Hoe kunnen we elkaar helpen? Zij vanuit de PvdA en ik vanuit de VVD-hoek.” Zo startte een samenwerking die de hele kabinetsperiode standhield. “Later zaten we ook op maandagochtend voor de bestuursraad even een kwartier bij elkaar.”

Ze gaven elkaar ook wel eens politiek getint advies: “Door haar bijvoorbeeld te zeggen: ‘Dat onderwerp moet je bij de VVD niet zo doen, want dat gaat niet goed.’ Of zij tegen mij: ‘Je gaat er veel te hard in, dat zal de PvdA nooit aannemen. Praat eens met die en die.’” Dat vooroverleg was voor beiden belangrijk. “Het is prachtig als je vanuit verschillende politieke hoeken met elkaar kunt bespreken hoe je het gaat doen. Dat werkt als een trein.”

De ander wat geven

Een goede samenwerking is een kwestie van geven en nemen, vindt hij. En een politicus kan zich het niet veroorloven meedogenloos te zijn. Mijn vader had daarover een mooie uitspraak: ‘Je kunt over mensen heen lopen, maar nooit heen en weer.’ Je kan iemand politiek plattrappen, maar je komt diegene altijd weer tegen, en die wil dan wraak.” Dat geldt ook voor mensen met andere politieke opvattingen “Die strijd mag je best voeren, maar het is ook goed om diegene iets te geven. De volgende keer kan je misschien wat terugvragen.”

Hij geeft een voorbeeld van hoe dat werkt in de Tweede Kamer. Hij verloor een debat van Wim Meijer (PvdA) omdat hij op een onderwerp iets moest ‘schuiven’ van zijn fractie. “Na afloop stond ik er verslagen bij. Hij legde een hand op mijn schouder en vroeg of ik een glaasje cognac met hem wilde drinken. Hij vroeg vervolgens wat er aan de hand was: ‘Waarom heb je me niet gezegd dat je moest schuiven? Dan had ik ervan geweten. Nu denk ik: wat is dat voor gedoe?’” Hermans gaf aan dat het door druk van de fractie kwam. “Dat zijn van die momenten dat je elkaar leert begrijpen.” De les die hij leerde: “Je moet elkaar wat gunnen.”

Een bliksemafleider

Ook als minister zag Hermans in de Kamer waar er geschoven moest worden of pijnpunten zaten. Hoe anticipeerde hij daarop? Hij geeft een voorbeeld van de behandeling van zijn wetsvoorstel voor het invoeren van de internationale bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs. ”Sijbolt Noorda was voorzitter (van de Raad van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam, red.) en zei: “Oké Loek, als we die punten op die manier gaan doen, steun ik je en zorg ik dat de andere universiteiten meegaan.” Dat hielp, maar Hermans was er nog niet. “Toen moest het nog door de Kamer heen, en daar was forse weerstand.”

Hij verzon een list: “Ik moest een bliksemafleider hebben. Daarom vroeg ik Jan Franssen (partijgenoot, destijds Commissaris van de Koningin in Zuid-Holland, red.) een rapport te maken over topopleidingen, zodat een kleine, selecte groep studenten bovenop hun master een internationale vermaarde topopleiding kon volgen.” Dat rapport van de commissie Franssen was positief, maar de Kamer was tegen, vond het elitair. “Het hele kippenhok van bachelor-master ging zo over de streep, omdat iedereen zich daarop had geconcentreerd.”

Daarna volgde de behandeling in de Eerste Kamer. “Dat was inhoudelijk veel zwaarder”, vertelt hij. Ook daar deed hij ervaring op met overleggen, praten en luisteren. “‘Oké daar heb je gelijk in, dan doen we dat.’ Niet eigenwijs denken: ik heb de wijsheid in pacht. Dat heb je namelijk niet.”

Zes loodgieterstassen

Een lastig moment tijdens zijn ministerschap was de fraude bij de hogescholen met subsidies voor studenten uit het buitenland, bekend geworden als de hbo-fraude. Op een gegeven moment werd duidelijk dat er iets niet klopte. Ik was totaal verrast, want ik had dat niet door.”

Tijdens de debatten daarover in de Tweede Kamer werd hij geconfronteerd met een actie aan het begin van zijn ministerschap. Hij weigerde toen ‘zes loodgieterstassen’ met stukken te lezen, en sprak daar SG Piet Holthuis op aan. “‘Piet dat gaan we niet doen.’ Ik moest het van hem lezen, want Jo (Ritzen, zijn voorganger, red.) deed dat ook.” Hermans wilde dat echter anders zien. “‘Jullie moeten de politieke relevantie eruit halen en die mij in een tasje meegeven.’” Deze anekdote speelde hem parten in het debat over de fraude met internationale studenten. “Van de Kamer kreeg ik bij de hbo-fraude het verwijt dat ik de stukken nooit had gelezen. Dat was natuurlijk niet waar.”

Hermans wijt dit deels aan politiek opportunisme: “De verkiezingen naderden, het was eind 2001en in 2002 waren de verkiezingen. Iedereen begon al uit te halen, omdat het mooi was om een minister te beschadigen. Dat hebben ze toen voluit geprobeerd.”

Mede door deze fraude kwam er steeds meer toezicht, controle en accreditatie in het hoger onderwijs. Terwijl Hermans steeds had beoogd het onderwijs meer ruimte te geven, te liberaliseren. Hermans reflecteert: “Misschien is het de angst om fouten te maken. Dat zie je in de politiek heel sterk.”

‘Kom over een paar weken maar terug’

Een ander ingrijpende gebeurtenis was de moord op Pim Fortuyn op 6 mei 2002. “We voerden campagne en ik zou een toespraak in Gouda houden. Ik was bij een vriend in Reeuwijk toen dat bericht doorkwam. De verkiezingscampagne was aanstaande; we gingen het land in en hielden overal toespraken. Het was meteen hup, terug naar Den Haag. Maar we mochten niet via de hoofdingang, want op het Plein was een opstand uitgebroken; rook uit de parkeergarage, auto's in brand… We moesten via sluipgangetjes door het Binnenhof naar de Trêveszaal. Toen we daar zaten, was er verslagenheid. ‘Wat gebeurt er; een politieke moord in Nederland?’”

In de minsterraad kwam al gauw een discussie op gang over de bewaking van Fortuyn: “Maar we zeiden ook: ‘Dit heeft geen enkele zin; het is gebeurd.’” Premier Kok bleef rustig en begon al snel over de verkiezingen, een ontnuchterend moment, herinnert Hermans zich. “Kok zei: ‘Ik ga eerst contact opnemen met de LPF om te kijken wat zij willen.’ Er kwam een afspraak met de LPF-top in het Catshuis, die ertoe heeft geleid dat de verkiezingen doorgingen. Wim pakte dat op voortreffelijk wijze op, zoals zo vaak.” Bijvoorbeeld in de ministerraden. “Dan was er een groot onderwerp en dat werd dan voorbereid via onderraden en overleggen tussen departementale, ambtelijke apparaten. Je wist van ieder departement al van tevoren wat ze nog wilden opmerken in de ministerraad, dat kon je dan mooi voorbereiden. Maar van Kok wist je dat niet. Die kwam altijd helemaal op het einde van de discussie; prachtig. En als hij met lof begon, moest je oppassen.” Bijvoorbeeld bij het plan voor een bachelor-mastersysteem. “Dat kwam in de ministerraad en iedereen zei dat het goed was. Maar toen kwam Wim: ‘Ik vind dat de minister van Onderwijs een goed voorstel heeft neergelegd, maar ik heb een paar opmerkingen.’ Die waren dan raak. Gelukkig ging het toen allemaal goed, maar hij zei ook regelmatig: ‘Kom over een paar weken maar eens terug met een aangepast voorstel.’”

In die turbulente periode opereerde het kabinet op demissionaire basis. Het was de maand ervoor, in april, gevallen naar aanleiding van de resultaten van het Srebrenica-onderzoek. Hans Blom, de toenmalige NIOD-voorzitter, kwam het rapport eerst in het Torentje toelichten. “Wim zei dat ik erbij moest zijn, omdat het mijn toko was. Blom las de hoofdlijnen voor en Wim werd steeds grijzer. Toen we later met z’n tweeën zaten, zei Wim: ‘We moeten aftreden. Ik ben minister-president, dus ik neem de consequenties, en met mij dus het hele kabinet.”

Praten en luisteren

Hermans ging veel op werkbezoeken ‘om te luisteren en te praten’. Dan deed hij ook wel eens toezeggingen: “‘Dat is interessant, daar moeten we over doorpraten.’” Daarna ging hij door met het bezoek en was de toezegging soms 's avonds alweer vergeten. “Heel frustrerend voor de mensen met wie ik sprak. Gelukkig liep Lydia van Rietschote achter me, een medewerkster van het departement. Zij ving het allemaal op en vroeg hun telefoonnummers voor afspraken, waardoor ik veel contacten in het veld had.”

Met die contacten ging hij vaak uit eten. “Het eerste halfuur zeggen mensen ‘u’ en ‘minister’. Een halfuur, een stuk pizza en een glaasje wijn later kwamen de echte verhalen los. Die wil je graag horen.” Er ontstond een keer gedoe over zijn declaraties, onder andere over zijn restaurantkosten. “Toen zag je wat een fanclub betekent; mensen zeiden dat ze met me hadden kunnen praten en dat dat niet zomaar iets was geweest. De ophef was vrij snel weer over. Die contacten zijn belangrijk: geen ivoren toren, maar praten en luisteren.”

Vol in de wind

Na zijn ministerschap vervulde Hermans verschillende toezichthoudende functies. Daar is veel goed gegaan, maar hij kreeg ook commentaar. Hij kijkt terug op zijn periode als toezichthouder van Meavita, een thuiszorgorganisatie. “Er was een enorme dominantie van de zorgverzekeraars. Wij wilden vanuit een concentratie van thuiszorgorganisaties een countervailing power maken. Door de Wmo moest je met gemeenten onderhandelen, maar ook met zorgkantoren over het aantal uren zorg en de prijs daarvan.” Dat systeem wijzigde van voorfinanciering naar declaratie achteraf. Bovendien veranderden de tarieven. “Den Haag gaf ons voor een huishoudelijke hulp elf euro vijfentwintig, terwijl ze hun eigen kantoren voor vijftien euro lieten schoonmaken. Ik zei: ‘Ik wil die confrontatie wel aangaan; we moeten laten zien dat het zo niet kan.’” Dat ging helemaal fout, vertelt hij. “We hadden het politieke systeem tegen. Dat wilde bezuinigen en anders organiseren. We kwamen toen in grote financiële problemen doordat de zorgkantoren de voorfinanciering introkken; het was zogenaamd wanbeleid.”

Meavita ging failliet en Hermans stond vol in de wind. Hij kreeg veel kritiek op zijn rol als toezichthouder omdat hij te veel nevenfuncties zou hebben. Het is lastig wanneer in een politieke confrontatie zo’n beeld wordt opgevoerd, vertelt hij: “‘Hij heeft te veel functies, dus hij kan het niet controleren.’ Daar heb ik van geleerd dat je soms moet dimmen, anders maak je jezelf te kwetsbaar. Of je het aankan of niet, dat is niet het punt in de politiek. De perceptie is dat het niet kan, en dan moet je terugstappen.” Uiteindelijk kwam er wetgeving die het aantal nevenfuncties moet beperken. “Helemaal niet zo gek”, vindt Hermans.

In de genen

Hermans dochters Sophie en Caroliene werden ook actief voor de VVD. Sophie Hermans is momenteel minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport. “Sophie is heel anders dan Caroliene, maar allebei hebben ze dat gen van interesse in de politiek en de wil om iets te doen. ‘Al ben ik een klein radertje, ik wil iets doen en niet alleen van de zijlijn roepen dat iets niet goed is, want dat is zo makkelijk.’ Ze hebben daar allebei op ingezet.” Voorziet hij ze wel eens van advies? “Als mensen mij zeggen dat ik hen advies moet geven, dan zeg ik dat ze al sinds hun twaalfde niet meer naar hun vader luisteren.”

“Je moet een mening hebben en iets willen in de politiek.” Misschien is dat voor Hermans wel de definitie van een effectieve minister. “Je moet iets willen… Ik was lang betrokken bij de interne kandidaatstelling bij de VVD en vroeg dan aan mensen: ‘Waarom wil je Kamerlid worden?’ Van het antwoord ‘Ik ben een mensenmens’ werd ik wild. Sommigen zeiden: ‘Ik wil iets terugdoen voor de samenleving.’ Wat wil je?” Als iemand dat niet helder voor ogen heeft, wordt het lastig als politiek bestuurder. “Als je zomaar minister wordt, word je heen en weer geslingerd. De dagelijkse dingen en de ambtenaren bepalen dan wat je doet. Je hebt die ambtenaren nodig, maar jij moet sturen.”