Gezag krijgen in Brussel

Interview met Cees Veerman
Titel: Gezag krijgen in Brussel

Een voorbeeld.

Er was een debat over de afschaffing van de
tabakssubsidies.

Dat hebben wij helemaal niet, in Nederland
meer, dus hebben we…

Je kunt er dan bij gaan zitten en zeggen:
‘Ik zie wel hoe het loopt, of ik stuur mijn

vertegenwoordiger wel naar die vergadering
en dan hoor ik wel als ik nodig ben om ja

of nee te zeggen.’

Maar je kunt natuurlijk ook denken: Ja, kunnen
we daar behulpzaam bij zijn?

Kijk, er zijn landen die daar groot belang
bij…

De Grieken bijvoorbeeld, die hebben veel tabak.

Griekse tabak is niet te roken, hebben ze
mij verteld, maar het is er.

Die nieuwe lidstaten hebben ook tabak, Hongarije,
er zit zelfs nog een beetje tabak in Frankrijk,

Zuid-Frankrijk, er is tabak in Spanje en in
Italië, daar zijn grote subsidies op.

Dat zijn hele grote bedragen, daar zijn die
mensen volstrekt van afhankelijk.

Die tabak is waardeloos voor de wereldmarkt,
het is een beetje voor het binnengoed voor

een sigaar, bijgemengd, maar…

Dus die leven van die subsidie.

En ja, dat wilde dus de commissie afschaffen,
in de vorm van elk jaar een beetje.

Nou, daar was grote oppositie tegen, en daar
was dus een blokkerende meerderheid en de

commissaris Franz Fischler die kon daar dus
niet mee verder.

Toen ben ik naar die Fransen toegegaan, die
Franse minister, en ik zei: ‘Moet ik een

beetje helpen soms?’

Hij zegt: ‘Nou ja, kijk, maar ja…’.

Ik zeg: ‘Ik heb een ideetje.’

‘Nou,’ zegt hij, ‘dan gaan we even bij
elkaar zitten.’

Dus hij roept de Fransen, de Italianen, de
Spanjaarden en de Grieken bij elkaar in een

kamertje.

‘De Nederlandse minister heeft geen tabak
en die heeft een ideetje.’

En ik zei: ‘Nou stel nou voor dat we die
afbouw niet zo (gradueel), maar zo (plateaus-gewijs)

doen: vier jaar nog gewoon subsidiëren en
dan sterk naar beneden en dan…’

Natuurlijk een hele vileine gedachte, want
vier jaar dat is ook de termijn waarop die

ministers zitten…

- Ja, dan hebben ze er zelf geen last meer
van.

- Voilà.

Maar ja, er moest wel wat gebeuren.

Want er moest een besluit vallen.

‘Ja’, zeiden ze, ‘dat zou natuurlijk
wel goed zijn. [xxx] piekeren, maar dat wil

de commissaris vast niet.

Ik zeg: ‘Maar als hij het nou wil, doen
jullie het dan?’

‘Nou, daar moeten we over denken, moeten
we over denken.’

Dus uiteindelijk kregen we een signaaltje
van ja, hier gaan we mee akkoord.

Toen ben ik naar Franz Fischler gegaan.

Ik zeg: ‘Franz, als je het nu eens zo doet?’

‘Du bist der Teufel,’ zei die, ‘du bist
der Teufel.’

Hij zei: ‘Maar dat doen ze nooit.’

Ik zei: ‘Maar als ze het nou doen.’

‘Ja, dan vind ik het goed,’ zei die.

Dus we komen weer terug in die vergadering
en ik zei: ‘Franz, dan moet jij dat voorstel

doen.

Dat is het beste.

Dat de commissie het voorstel doet.’

Dus Franz die doet dat voorstel en er wordt
een spel gespeeld natuurlijk hè: de Fransen

roepen ‘ooooh’, de Italianen roepen ‘boeoeoeh’.

Maar ik wist hoe het lag, want ik was het
wezen vertellen.

Ik zeg: ‘Dit gaat erdoor, dit komt voor
mekaar.’

En de Italiaanse minister -- zo’n kleine
man, hij is later minister van Napels geworden,

hij was niet van zo’n erg solide partij
– maar die vloog mij om de nek, hè?

Nou, iedereen blij.

Dan kun je dat doen.

En dan stijgt je gezag.

- Wat dreef je nou om deze rol te pakken?

- Ja, haha.

Toch een…

Mij drijft: ik wil iets tot stand brengen.

Leveren.

We moeten leveren als bestuurder.

En als politici.

Niet kletsen, maar leveren.

Dat is toch een beetje de boerenaard hè?

Het is allemaal mooi, die praatjes, maar praatjes
vullen geen gaatjes.

Dus er moet wat gebeuren.

Ja, dat dreef mij wel ja.

Want het zou toch mooi zijn als wij dat als
Nederlanders voor elkaar kregen.

Kijk, straks hebben wij ook wat te vragen.