
Je zei dat je bijvoorbeeld geleerd
hebt wat een minister nodig heeft.
Wat heeft een minister nodig?
Dat verschilt per bewindspersoon.
De ene bewindspersoon is volstrekt
auditief. Hij leest nauwelijks
stukken, maar wil een half uur van
tevoren bijgepraat worden of
überhaupt een nota, die wil
bijgepraat worden. Een ander wil per
se iets op papier zien. Kortom, er
zijn veel verschillen. Het
allerbelangrijkste is, zeker als je
wat verder komt, dat je doorhebt wat
die bewindslieden willen bereiken.
Dat je daar een zekere
vertrouwensband mee opbouwt. De
eerste keer dat ik dat kon doen, was
met Louw de Graaf. Hij wist precies
wat hij deed en wat de minister deed.
Hij wist precies wat zijn rol en zijn
verantwoordelijkheid was. Daar was
hij ook klip-en-klaar over naar mij
toe. Dat kon ik weer uitleggen aan
de mensen die met mij aan dat project
werkten.
Jongens, let op. Op deze manier moet
de staatssecretaris het lezen. Dit
moet naar de minister toe. Het is
vervelend als de staatssecretaris
iedere keer tegen mij moet zeggen dat
het ook naar de minister moet. Laten
wij daar aan denken dat dit ook naar
de minister moet. Dat soort dingen
leer je als vanzelfsprekend, maar het
zijn belangrijke dingen, die je als
niet vanzelfsprekend moet beschouwen.
Mensen die nieuw binnenkomen op het
departement moeten het ook begrijpen.