
Tussen Van Aartsen en mij ging het
uitstekend, want wij konden elkaar
prima vinden en hadden ook
uitstekende contacten.
En Van Aartsen had weinig met dat,
een beetje,
toch wel een beetje
superioriteitsgevoel wat er erg
speelt bij wij van Buitenlandse
Zaken.
Of van M, om het zo maar te zeggen,
dat M dat…
Dan kregen mijn ambtenaren: nee, M
vindt dat niet goed.
En dan, toen ik dat een keertje
tegen Van Aartsen zei, zei hij:
dan moet je mij gewoon even bellen.
Dus toen heb ik hem gebeld en dan
kan dat terug worden gezegd, van:
we vonden dat M iets heel anders
vond.
En er zit iets in die verhouding
tussen die twee departementen wat
het een beetje ingewikkeld maakt.
Had ook te maken met Srebrenica.
Maar even een beetje kort door de
bocht, maar het is, denk ik,
wel goed in de cultuur te
vertellen. Had Buitenlandse Zaken
iets van:
wij gaan over het buitenlands
beleid, en dan heb je dus dat
mensen,
die moeten uitvoeren wat wij doen.
En bij Srebrenica was erg het
gevoel dat Defensie nodig was om
dat allemaal te doen, wat er
allemaal moest gebeuren vanuit
VNresoluties en
NAVO-beleid en buitenlands beleid.
Maar als puntje bij paaltje kwam,
het moeilijk werd,
dan was Buitenlandse Zaken nergens
te zien en mocht Defensie die shit
opruimen,
om het zo maar te zeggen. Een
beetje dat gevoel leefde er sterk.
Dat is niet helemaal onwaar.
Was ook een beetje mijn eigen
ervaring.
Als er dan dingen waren, dan had
Buitenlandse Zaken iets: maar de VN
wil het,
en zo, en dat er een of andere
missie was in Ethiopië.
En toen had de VN gevraagd om een
Nederlands bataljon.
En ik had een beetje iets van:
ingewikkeld, moeilijk, Srebrenica,
gevoelig, sensitief, toestand,
toestand en allerlei dingen over
mandaat.
En ze vonden het maar eindeloos
gezeur.
Toen ben ik naar Kofi Annan
geweest, daar gesproken en zowaar
zover
gekregen dat hij in Nederland dat
voor het parlement kwam uitleggen
en toelichten.
Ik zei: dat is echt nodig.
Maar dat vond de toenmalige
VN-ambassadeur, die vond werkelijk,
dat ik het in mijn hoofd haalde om
iemand als Kofi Annan daarmee,
lastig te vallen met dit soort
onzin.
Dat was mijn werk om dat… Nou ja,
was allemaal een politiek gezeur.
Een beetje die houding.
Ik zeg het een beetje scherp, maar
het…
Nee, interessant. Als je het de
betrokkenen vraagt, zullen ze
waarschijnlijk ietsje nuanceren,
maar het is wel een beetje hoe,
laat ik zeggen,
hoe het bij Defensie erg werd
beleefd.
Ook hoe mijn eigen ervaring was.
Maar het was dus niet een geweldig
probleem, omdat ik daar heel
makkelijk met Van Aartsen over kon
spreken.
En die was daar ook voor. En die
was ook helemaal niet te beroerd om
dan ook daar in te grijpen.
Dus dan belde ik hem op en zei ik
van: goh, M, jij vindt dit en dit.
O, zegt M, ik ben me nergens van
bewust.
Dat horen mijn ambtenaren. O, zegt
hij, dan zal ik eens even nagaan
wat ik nou eigenlijk vind.
Ik zeg: dat horen we graag.
Zo ging dat verder redelijk goed.
Maar het is dus belangrijk dat die
communicatie er op die manier is,
want anders gebeuren er op dat punt
een beetje ongelukken.
En in die verhoudingen tussen
Buitenlandse Zaken en Defensie, dat
is, dat was toen een,
zeker die naweeën van Srebrenica,
een beetje een probleem.
Maar ook daar is aan gewerkt.
Volgens mij is Defensie daar ook
een stukje assertiever in geworden
en ook beter in geworden.
Ze waren ook niet van die afdeling.
Ze lieten zich ook heel makkelijk
sturen.
Ze waren niet gewend om mee te
denken, of hoe je daarmee moet om gaan, met die verhoudingen.