
U kwam uit de journalistiek in de wetenschap en pardoes in begin jaren 90 in de Eerste Kamer.
Dat was een beetje in de periode dat er heel veel gediscussieerd werd over de binnenlandse bestuurskolommen en over grensoverschrijdende problemen en rond stadsproblematiek.
Wat was dat voor een tijd?
Ja, als je wil, kun je zeggen dat het doodtij was in de vaderlandse politiek.
Maar je kunt ook zeggen dat het eigenlijk weer een van de perioden van vrij sterke stabiliteit was waarin het ook kennelijk mogelijk was om weer over vooral het middenbestuur ook te praten en überhaupt de ontwikkeling van het openbaar bestuur.
En waarbij ik ook wel moet zeggen dat gekozen werd voor een benadering die tot dan toe eigenlijk niet gebruikelijk was geweest.
Namelijk niks blauwdrukken, maar een procesmatige aanpak waarbij wel een paar dingen naar voren gehaald werden de ontwikkeling van de grote steden en van stedelijke knooppunten maar gekozen werd ook voor een aanpak die het mogelijk maakte om te zeggen oké, we beginnen hier, we kijken hoe het werkt.
En dan kan je de andere dingen ook doen.
Het enige wat, nou ja, min of meer vaststond dat er in die drie grote steden of rond de drie grote steden in de Randstad een zogenaamde stadsprovincie zou moeten komen.
Dat hebben ze in niet onbelangrijke mate zelf weten te verknoeien door te zeggen: Wij gaan een stadsprovincie vormen.
En als mensen dan vroegen: En wat blijft er nu precies voor gemeenten over en welke gemeenten dan? Dan was het antwoord buitengewoon vaag.
In ieder geval in het gebied zelf.
En dat heeft natuurlijk toch tot een referendum geleid in Amsterdam waar met die stadsprovincie de kachel is aangemaakt.
Want ik heb die handelingen nog eens even door zitten lezen.
Dat je jezelf weer tegenkomt en dat kan vaak een buitengewoon confronterende ontmoeting worden.
Hoe erg was dat?
-Het viel dus mee.
Ik schijn toch in sommige dingen consistent te zijn.
Namelijk, in een voorkeur voor gedifferentieerde oplossingen.
En niet, want ik weet nog, nu ook weer, dat ik mijn verhaal in de Kamer over de kale wet begon met: Laten we nou één keer niet bezwijken voor de Thorbeckiaanse verleiding.
Dat wil zeggen: om alles overal hetzelfde te willen regelen.
En ik heb dat eigenlijk ook aan de staatssecretaris voorgehouden als een, wat mij betreft, ook een groot teken van respect dat ze daar inderdaad ook vandaan wisten te blijven.
Alleen, het heeft uiteindelijk ook niet geholpen.
Het mocht niet baten.
-Nee.
Die herindeling is eigenlijk een bijna aan het zicht onttrokken constante.
Ja.
Ik was in de meeste gevallen voor een tamelijk stevige gemeentelijke herindeling.
Maar ik moet erbij zeggen, en dat heb ik me achteraf meer gerealiseerd dan op het moment zelf, dat dat bij mij voortkwam uit zorg over de ontwikkeling van de grote steden en ook de middelgrote steden vooral in de Randstad.
Steden als Gouda, Delft, Leiden, raakten totaal bekneld tussen hun buurgemeenten en moesten voor alles eigenlijk de steun zoeken bij hun buurgemeenten die zelf al uitmaakten dat ze daar geen zin in hadden of het niet nodig vonden, en die door de herziening of de herverdeling van het gemeentefonds daar dan nog een stukje in versterkt werden ook.
En wat er aan herindelingen gebeurde, dat was redelijk veel behalve overigens in Holland dat waren bijna allemaal herindelingen met de rug naar de stad.
En ik heb me dus wel lopen afvragen, ja, ik ben nog steeds voor die herindeling.
Maar als je het zo doet, los je eigenlijk geen enkel probleem op.
Eerlijk gezegd loop je zelfs kans dat je de gemeente als gemeente denatureert omdat eigenlijk geen duidelijke kern meer in die gemeenten te vinden valt.
Als je meer ruimte zou hebben gemaakt of zou hebben blijven maken voor differentiatie ook op het terrein van gemeentegrenzen en gemeentelijke taken dan had je een veel grotere kans gehad, niet alleen dat die lokale partijen wat minder tot ontwikkeling waren gekomen, maar dat de identificatie, ook van burgers met hun gemeente veel sterker was gebleven.
Het gemeentebestuur lijdt in zekere zin onder de vloek van de technocratie waarbij, euh je inderdaad het risico loopt dat we inderdaad langzaam toegroeien naar die 35 of... Want dat is het nu geloof ik, 35, 36 regio's.
En dat is het dan.
Maar dan heeft niemand meer enige identificatie met lokale democratie.